Onder sierteeltproducten vallen bloembollen, snijbloemen, planten en boomkwekerijproducten. Deze producten vallen nu nog onder het 9% btw-tarief. Op grond van de in het Belastingplan 2027 opgenomen wetswijzing vallen de sierteeltproducten vanaf 1 januari 2028 onder het 21% btw-tarief.
Geen overgangsrecht
In het wetsvoorstel is geen overgangsrecht opgenomen voor de tariefsverhoging naar 21% btw. Dit betekent dat bij vooruitbetalingen het btw-tarief van toepassing is dat geldt op het moment dat de ondernemer de vooruitbetaling ontvangt. Dus voor een vooruitbetaling in 2027 voor sierteeltproducten die pas op of na 1 januari 2028 worden geleverd, geldt het 9% btw-tarief.
Let op! Het btw-tarief op een ballonvaart wordt op grond van het Belastingplan 2027 per 1 januari 2028 ook verhoogd naar 21% btw. Voor deze tariefsverhoging geldt wel een overgangsregeling, op grond waarvan op het moment van een vooruitbetaling in 2027 voor een ballonvaart die in 2028 plaatsvindt, het 21% btw-tarief van toepassing is
Nog niet definitief
Het Belastingplan 2027 moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. De btw-verhoging naar 21% btw is daarom nog niet definitief.
Vermogenswinstbelasting in wetsvoorstel wet werkelijk rendement box 3
Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.
Let op! Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting, maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd.
Overige aanpassingen in box 3
De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:
Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat in 2027 omlaag naar het niveau van 2020: € 30.846 per belastingplichtige.
Het heffingsvrije resultaat in het nieuwe box 3-stelsel bedraagt in 2028 geen € 1.800 zoals eerder voorgesteld, maar € 1.000.
Het forfait voor overige bezittingen – dat is alles wat geen banktegoed is, zoals huurinkomsten – gaat in 2027 met 1,5% punt omhoog. In plaats van 6,37% zal dit forfait in 2027 dan dus 7,87% bedragen!
Tarief in box 2 omlaag
Het voorstel is om in de jaren 2027 tot en met 2030 het tarief van de tweede schijf in box 2 met 1,8% punt te verlagen naar 29,2%. De hoop is dat dga’s door de verlaging meer dividend uitkeren, waarmee een deel van de box 3-aanpassingen en de andere aanpassingen gedekt kunnen worden.
Jaar
Schijf
Belastbaar inkomen box 2
Tarief
2026
1
tot € 68.843
24,50%
2
vanaf € 68.843
31,00%
2027
1
tot € 69.607
24,50%
2
vanaf € 69.607
29,20%
Tip! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.
Bedrag excessief lenen in vijf jaar naar € 100.000
Een ander dekkingsvoorstel is het verlagen van de € 500.000 grens in excessief lenen bij de eigen bv naar € 100.000. Dit gebeurt in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 is de grens dan € 420.000. Eind 2031 zal de grens € 100.000 zijn.
Let op! De uitzondering die nu al geldt voor eigenwoningschulden bij de bv blijft bestaan. Deze schulden tellen dus ook vanaf 2027 niet mee.
Aanpassing in box 1
Het kabinet wil werken meer laten lonen. Dit wil het kabinet niet langer doen door een verdere verhoging van de arbeidskorting. De arbeidskorting wordt daarom met € 133 verhoogd in plaats van € 173. Het kabinet verhoogt wel de grens waarboven het tarief van 49,5% geldt. In plaats van een inkomen vanaf € 78.426 begint het toptarief van 49,5% in 2027 vanaf € 80.578. Door deze verhoging wordt ook de algemene heffingskorting langzamer afgebouwd.
Hervorming WW en WIA uit de begroting
De eerder voorgenomen hervormingen op de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaan niet door. Het kabinet wil met werkgevers en werknemers komen tot een sociaal akkoord met daarin de benodigde hervormingen. Het van de begroting halen van de hervormingen betekent dat dit ten laste gaat van de begrotingen van alle ministeries, met uitzondering van Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.
Let op! De aanpassingen in box 1, 2 en 3 worden opgenomen in een novelle. Deze novelle moet vóór 31 december 2026 door de Tweede én Eerste Kamer zijn aangenomen. Zoals het kabinet zelf al aangeeft is dat een ambitieus tijdpad. Het is nog afwachten of dat ook gehaald wordt.
Binnenlandse en intracommunautaire transacties tussen ondernemers
Ondernemers moeten waarschijnlijk vanaf 1 juli 2030 voor de zogenoemde business-to-business-transacties (hierna: B2B-transacties) elektronische facturen versturen naar andere ondernemers. Dit geldt zowel voor binnenlandse als intracommunautaire B2B-transacties. Met intracommunautaire B2B-transacties wordt grensoverschrijdende handel bedoeld tussen twee ondernemers binnen de EU.
Let op! Voor intracommunautaire B2B-transacties zal vanaf 1 juli 2030 ook een digitale rapportageverplichting gelden. Deze digitale rapportageverplichting zal voor binnenlandse B2Btransacties vanaf 1 juli 2031 gelden.
Implementatie onderdeel ‘elektronisch factureren en digitale rapportage’ van de Europese VIDA-richtlijn
Het kabinet is bezig met de voorbereidingen voor de implementatie van de Europese richtlijn “VAT In the Digital Age” (hierna: VIDA-richtlijn). De Europese VIDA-richtlijn gaat over de volgende drie onderwerpen:
De introductie van elektronische facturering en digitale rapportageverplichtingen (vanaf 1 juli 2030). Waarschijnlijk wordt dit najaar de internetconsultatie voor dit onderdeel gestart.
Regels voor de platformeconomie in de vorm van de invoering van een zogenoemde platformfictie voor het verrichten van bepaalde diensten (vanaf uiterlijk 1 juli 2028). Over dit onderdeel heeft inmiddels een internetconsultatie plaatsgevonden. Het wachten is op de indiening van het wetsvoorstel.
De enkele btw-registratie (gedeeltelijk vanaf 1 januari 2027 en voor het grootste deel vanaf 1 juli 2028). Het wetsvoorstel dat betrekking heeft op dit onderdeel is op 17 september 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. Nu moet de Eerste Kamer nog stemmen over dit wetsvoorstel.
Voor de implementatie van het eerste onderwerp ‘elektronisch factureren en digitale rapportage’ mogen de EU-landen zelf een aantal keuzes maken. In september 2026 maakte het kabinet bekend dat zij ervoor kiest om de verplichtingen voor e-facturering en digitale rapportage voor zowel intracommunautaire B2B-transacties als binnenlandse B2B-transactie in te voeren.
Let op! De binnenlandse e-facturatieverplichting geldt straks niet voor ondernemers die de kleineondernemersregeling (KOR) toepassen.
Waarom wordt e-facturatie en digitale rapportage verplicht gesteld?
Volgens het kabinet is de e-facturatie- en digitale rapportageverplichting noodzakelijk voor effectieve fraudebestrijding in de btw, versterking van de digitale economie en vermindering van administratieve lasten. Bovendien leiden deze regels ertoe dat de e-facturatie- en digitale rapportageverplichting van intracommunautaire B2B-transacties in alle EU-landen hetzelfde is.
Wat zijn de drie belangrijkste wijzigingen?
Ondernemers worden straks verplicht om de e-facturen uit te reiken binnen 10 werkdagen na het verrichten van de goederenlevering of dienst. Deze e-facturen moeten voldoen aan een uniforme EU-norm.
Op het tijdstip waarop de e-factuur wordt uitgereikt, moet het bedrijf de factuurgegevens ook digitaal rapporteren aan de Belastingdienst.
De digitale rapportage vervangt de Opgaaf Intracommunautaire Prestatie (Opgaaf ICP). Dit betekent dat de rapportage niet langer per maand of per kwartaal plaatsvindt, maar per factuur.
Let op! Vanwege deze nieuwe regels en elektronische verplichtingen moeten ondernemers hun factureringsprocessen aanpassen.
De youngtimerregeling geldt zowel in inkomstenbelasting (voor ondernemer in de inkomstenbelasting) als in de loonbelasting (voor de werknemer en de dga). De tekst hierna is op beiden van toepassing.
Bijtelling
Als je auto van de zaak onder de youngtimerregeling valt, bedraagt de bijtelling 35% van de waarde in het economische verkeer (WEV). Valt je auto van de zaak niet onder de youngtimerregeling en is de datum van eerste toelating van deze auto vóór 2017? Dan bedraagt de bijtelling 25% van de cataloguswaarde. De bijtelling van een auto met een datum van eerste toelating vanaf 2017 bedraagt 22% van de cataloguswaarde.
Let op! Als je auto geen CO2 uitstoot, gelden er nog kortingspercentages op de bijtelling. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.
Youngtimerrregeling in 2026
Vanwege het verschil in bijtelling, kan het gunstig zijn als je auto onder de youngtimerregeling valt. In 2026 valt je auto onder de youngtimerregeling als:
de auto op 1 januari 2026 de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, of
de auto in 2025 al aan jou ter beschikking stond én in 2026 de leeftijd van 16 jaar bereikt.
Let op! In het laatste geval mag je, in de periode dat de auto nog geen 16 jaar is, kiezen tussen de bijtelling van de youngtimerregeling (35% van de WEV) of de gewone bijtelling (25% van de cataloguswaarde eventueel met een kortingspercentage als de auto geen CO2 uitstoot).
2027
Vanaf 2027 zou de leeftijdsgrens in een keer verhoogd worden naar 25 jaar. In de belastingplannen voor 2027 is echter het voorstel gedaan om de leeftijdsgrens per 1 januari 2027 niet naar 25 jaar maar naar 17 jaar te verhogen en vanaf 1 januari 2028 naar 20 jaar. Vanaf 2028 blijft de leeftijdsgrens dan ook 20 jaar. Er is ook overgangsrecht voorgesteld voor auto’s die in de loop van 2027 17 jaar worden.
Als deze plannen door de Tweede en Eerste Kamer ongewijzigd worden aangenomen, valt je auto onder de youngtimerregeling als:
de auto op 1 januari 2027 de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, of
de auto in 2025 al aan jou ter beschikking stond én in 2027 de leeftijd van 17 jaar bereikt.
Let op! In 2027 is er geen keuze meer. De auto die in 2025 al aan jou ter beschikking stond en die in 2027 de leeftijd van 17 jaar bereikt, valt dus zonder meer het hele jaar onder de youngtimerregeling. Waar je in 2026 nog kan kiezen, is deze keuze in 2027 niet mogelijk.
2028
Als de voorstellen ongewijzigd door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, valt je auto in 2028 alleen nog onder de youngtimerregeling als de auto op 1 januari 2028 de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt. Dat betekent dat de youngtimerregeling per 1 januari 2028 vervalt voor alle auto’s die in de loop van 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar overschrijden, maar nog niet die van 20 jaar.
Voor die auto’s geldt dan de normale bijtelling van 25% van de cataloguswaarde. In 2028 geldt, volgens de huidige regels, ook geen kortingspercentage meer als je auto geen CO2 uitstoot.
Vanaf het moment dat je auto de leeftijd van 20 jaar bereikt, valt je auto dan weer onder de youngtimerregeling.
Let op! Heb je een youngtimer of ben je van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met de voorgestelde wijzigingen.
In beginsel is btw verschuldigd over het hele leasebedrag dat een leasemaatschappij in rekening brengt voor de lease van een auto. Dit is in ieder geval zo wanneer de leaseauto op naam van de leasemaatschappij staat.
Door een hele oude goedkeuring van 18 juli 1995 hoefde over de doorberekende mrb van een leaseauto die op naam staat van de leasemaatschappij echter toch geen btw berekend te worden. Deze doorberekende mrb werd in die goedkeuring aangemerkt als zogenaamde quasi doorlopende post waarover geen btw verschuldigd was.
Hoewel het de bedoeling was om deze goedkeuring in te trekken was het besluit daarover van 25 januari 2007 niet helemaal helder. De staatssecretaris heeft bij besluit van 2 juli 2026 bevestigd dat de goedkeuring daarom zijn werking heeft behouden.
Dit eindigt echter per 1 januari 2027. Vanaf die datum moet dan ook btw berekend worden over de doorberekende mrb van een leaseauto die op naam staat van de leasemaatschappij.
Leaseauto op naam lessee
Als de mrb een zogenaamde doorlopende post is (dus zonder de quasi zoals hiervoor beschreven), kan de mrb zonder btw doorberekend worden. Er is sprake van een doorlopende post als de leaseauto op naam van de lessee (particulier dan wel zakelijk) staat én de leasemaatschappij de mrb betaalt. De leasemaatschappij heeft dan bij de RDW de mrb-verplichting bij ‘erkenning Voorbehoud en verplichtingen’ aangevinkt.
De leasemaatschappij kan dan de mrb één op één zonder btw doorberekenen aan de lessee. De mrb moet dan wel afzonderlijk op de factuur gespecificeerd zijn. Dit kan nu al, maar vanaf 2027 nog steeds.
Alternatief voor leaseauto op naam leasemaatschappij
Lease je een auto die op naam staat van de leasemaatschappij en heb je geen (volledig) recht op aftrek van btw, omdat je bijvoorbeeld (deels) btw-vrijgestelde prestaties verricht? Dan betekent het einde van de goedkeuring voor jou waarschijnlijk dat je leasekosten stijgen. Als de leasemaatschappij namelijk vanaf 1 januari 2027 btw berekent over doorberekende mrb, dan kun jij die btw niet (geheel) in aftrek brengen.
Er is een alternatief. Het is namelijk mogelijk om de lessee als houder van de leaseauto aan te merken. De mrb is dan verschuldigd door de lessee en niet meer door de leasemaatschappij. Betaalt de leasemaatschappij dan toch de mrb omdat bij de RDW de mrb-verplichting bij ‘erkenning Voorbehoud en verplichtingen’ is aangevinkt? Dan is de aan de lessee doorberekende mrb een doorlopende post. Dit doorberekenen kan dan zonder btw.
De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.
Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.
Eerste Kamer
In de Eerste Kamer zou waarschijnlijk geen meerderheid voor het wetsvoorstel komen. Eind februari 2026 liet de Minister van Financiën al weten het wetsvoorstel daarom aan te willen passen. Op Prinsjesdag 2026 zouden de aanpassing in een novelle op het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Om die reden heeft de Eerste Kamer stemming over het wetsvoorstel tot nader orde uitgesteld.
Kamerbrief
Het is het kabinet niet gelukt om tot een voorstel tot aanpassing te komen dat kan rekenen op een breed draagvlak in het parlement. Op Prinsjesdag 2026 verscheen daarom geen novelle maar een Kamerbrief waarin het kabinet aangeeft in gesprek te willen met de Tweede en Eerste Kamer over het vervolg.
Let op! De Eerste Kamer werd in de Kamerbrief ook gevraagd om het wetsvoorstel voorlopig niet verder in behandeling te nemen. De Eerste Kamer heeft de minister en staatssecretaris uitgenodigd voor een gesprek op 5 oktober en beslist daarna of ze aan het verzoek tegemoet komen.
Scenario’s
In de Kamerbrief geeft het kabinet vier scenario’s, waarbij als vertrekpunt voor alle scenario’s geldt: invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
Scenario 1: nog geen verdere doorontwikkeling richting een volledige vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 maar wel al uiteenlopende verbeteringen aan het wetsvoorstel. Denk daarbij aan achterwaartse verliesverrekening, bepaalde wijzigingen om de belastingdruk box 3 te verlagen en verbeteringen in het wetsvoorstel bij huwen en scheiden.
Scenario 2: invoeren van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 met de verbeteringen uit scenario 1 per 2028 en op termijn invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
Scenario 3: intrekken van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en vanaf 2030 invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
Scenario 4: uitbreiden van de vermogenswinstbelasting in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 2028 naar alle financiële instrumenten en vanaf 2030 ook naar alle andere vermogensbestanddelen.
Kamerbrief 29 september 2026
Inmiddels is op 29 september 2026 een Kamerbrief verschenen met voorstellen voor het nieuwe box 3-stelsel. Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups- en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.
Let op!Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd.
De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:
Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat in 2027 omlaag naar het niveau van 2020: € 30.846 per belastingplichtige.
Het heffingsvrije resultaat in het nieuwe box 3 stelsel bedraagt in 2028 geen € 1.800 zoals eerder voorgesteld, maar € 1.000.
Het forfait voor overige bezittingen ̶– dat is alles wat geen banktegoed is, zoals huurinkomsten – gaat in 2027 met 1,5% punt omhoog. In plaats van 6,37% zal dit forfait in 2027 dan dus 7,87% bedragen!
De CRA stelt eisen aan producten met digitale elementen die op de Europese markt worden aangeboden. Vanaf 11 december 2027 moeten die producten voldoen aan veiligheidseisen. Ook moeten ze na verkoop veilig gehouden worden met updates. Zo weten je klanten waar ze op kunnen rekenen.
Let op! Het gaat niet alleen om fysieke apparaten zoals Internet of Things (IoT)-apparatuur (denk aan een slimme deurbel of thermostaat), firewalls of netwerkapparatuur. Ook software valt eronder, denk aan mobiele apps, videogames en besturingssystemen.
Wanneer raakt dit jou?
De CRA kent drie rollen, en elke rol heeft eigen verplichtingen.
Ben je fabrikant?
Dan heb je de meeste verplichtingen. Je bent integraal verantwoordelijk voor een veilig product en moet daar al vanaf de ontwerpfase rekening mee houden. Je ontwikkelt zelf, of je laat ontwikkelen en brengt het product onder je eigen merknaam op de markt.
Ben je importeur?
Dan moet je actief controleren of de producten die je invoert aan de CRA voldoen. Breng je het product onder je eigen merk op de markt? Dan gelden voor jou alle verplichtingen van een fabrikant.
Ben je distributeur?
Dan volstaat passende zorgvuldigheid. Je controleert of het product een CE-markering heeft. Twijfel je of het product voldoet, dan breng je het niet op de markt.
Let op! Je hoeft geen techbedrijf te zijn om fabrikant te worden genoemd. Laat je software of een apparaat ontwikkelen en verkoop je dat onder je eigen naam, dan ben je volgens de CRA een fabrikant, met alle bijbehorende verplichtingen.
Wat moet je dan doen?
De CRA stelt eisen aan zowel het product als aan je processen. Je voert een risicoanalyse uit en gebruikt die als basis voor een veilig ontwerp, waarbij je kwetsbaarheden en reële risico’s wegneemt. Daarna moet je het product veilig houden gedurende de verwachte levensduur, met een ondersteuningsperiode van minimaal vijf jaar. Ontdek je een kwetsbaarheid, dan bied je zo snel mogelijk een gratis veiligheidsupdate aan.
Als fabrikant moet je ook laten controleren of je product aan de eisen voldoet, een zogeheten conformiteitsbeoordeling, en vervolgens de CE-markering aanbrengen. Voor reguliere producten zoals apps, games en IoT-apparatuur mag je die beoordeling zelf uitvoeren. Voor beveiligingssoftware, netwerkapparatuur en besturingssystemen mag dat alleen op basis van Europese normen. Bij firewalls, hypervisors of smartcards is een externe beoordelaar verplicht.
Let op! Eén verplichting geldt al eerder. Vanaf 11 september 2026 moet je actief misbruikte kwetsbaarheden en ernstige beveiligingsincidenten melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum, en wel binnen 24 uur na ontdekking. Dat kan via MijnNCSC of het CRA-meldformulier.
Tip! Wil je weten in welke categorie jouw product valt en wat dat betekent? De Gids Cyber Resilience Act van de RDI geeft per categorie voorbeelden van veelvoorkomende producten.
Twijfel je of de CRA op jouw producten van toepassing is, of wil je weten wat er dan van je wordt verwacht? Neem contact met ons op, we denken graag met je mee.
Let op!Inmiddels heeft het kabinet in een Kamerbrief van 29 september 2026 laten weten dat de eerder voorgenomen hervormingen op de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) niet doorgaan. Het kabinet wil met werkgevers en werknemers komen tot een sociaal akkoord met daarin de benodigde hervormingen. Het van de begroting halen van de hervormingen betekent dat dit ten laste gaat van de begrotingen van alle ministeries, met uitzondering van Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.
Uitstel bekorting WW- duur
Het kabinet wil de maximale duur van de WW-uitkering en van de daaraan gekoppelde duur van de WGA-loongerelateerde uitkering terugbrengen van nu maximaal 24 maanden naar straks maximaal 12 maanden. Het aanvankelijke plan was om dit per 1 januari 2028 in te voeren, maar dit staat nu gepland per 1 januari 2029. Ook zal de zogenaamde wekeneis om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering dan worden aangescherpt.
Verlaging maximumdagloon met 20% gaat niet door
Er waren plannen om het maximumdagloon te verlagen met 20%. Zo’n verlaging werkt door in de WIA, WAO, ZW, WW en de verlofregelingen op grond van de Wet arbeid en zorg. Uit de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) volgt dat de verlaging niet door gaat. Het maximumpremieloon zal daardoor in 2029 ook niet dalen.
Uitstel afschaffing tegemoetkoming arbeidsongeschikten van 2028 naar 2029
De tegemoetkoming voor extra ziektekosten voor werknemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (€ 226,28 netto in 2026) zou aanvankelijk al in 2026 afgeschaft worden, maar dit is steeds uitgesteld. De afschaffing is nu verder uitgesteld naar 2029.
Nieuwe banenafspraak en verbreding doelgroep
De doelgroep van de nieuw banenafspraak wordt verbreed met mensen uit de WW en WIA die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Daarnaast komt het instrument loonkostensubsidie onder meer beschikbaar in de WIA, WW en Wajong. In de Wajong zal de loonkostensubsidie dan mogelijk de loondispensatie gaan vervangen. Het wetsvoorstel Verdere verbreding doelgroep banenafspraak gaat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer.
Nieuwe regeling leven lang ontwikkelen
Vanaf 2028 wordt bezuinigd op de re-integratiemiddelen binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Er komt wel een verhoging van het budget voor een leven lang ontwikkelen. Vanaf 2028 komt hiervoor structureel € 100 miljoen per jaar beschikbaar. De regeling beoogt scholing toegankelijker te maken voor mensen die aan het werk willen, willen doorgroeien of willen overstappen naar ander werk.
Vereenvoudiging verlofstelsel vanaf 2028
Het kabinet streeft ernaar een nieuwe Verlofwet in te voeren als opvolger van de huidige Wet arbeid en zorg. Het betreft een administratieve vereenvoudiging. Dit betekent dat voorwaarden en kenmerken van de diverse verlofvormen zo veel mogelijk gelijk worden getrokken. Bestaande rechten, zoals de verlofduur en betalingshoogte, blijven zoveel mogelijk gelijk.
Verhoging minimumjeugdloon vanaf 2027
Het wettelijk minimumjeugdloon gaat per 1 januari 2027 omhoog voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar. Voor 15-jarigen daarentegen blijft het minimumjeugdloon volgens de regeling gelijk. Het kabinet wil zo de financiële positie van werkende jongeren verbeteren.
Geef je een vaste kostenvergoeding voor zaken waarvoor een gerichte vrijstelling geldt? Dan kan dat, onder voorwaarden, onbelast en gaat dit niet ten laste van je vrije ruimte in de werkkostenregeling (wkr). Datzelfde geldt voor een vaste kostenvergoeding voor intermediaire kosten.
Denk bij een gerichte vrijstelling bijvoorbeeld aan een vergoeding voor woon-werkverkeer met de eigen auto tegen € 0,25 per kilometer en een vergoeding voor thuiswerken tegen € 2,45 per thuisgewerkte dag. Intermediaire kosten zijn bijvoorbeeld de kosten van het wassen van de auto van de zaak.
Voorwaarden
De vaste kostenvergoeding voor gerichte vrijstellingen en voor intermediaire kosten zijn alleen onbelast als je voldoet aan de volgende voorwaarden:
Je moet het bedrag van de gerichte vrijstelling en de intermediaire kosten aannemelijk maken.
Verder moet je deze vrijstellingen en intermediaire kosten omschrijven en de bedragen nader specificeren, zodat duidelijk is dat sprake is van zakelijke gericht vrijgestelde en/of intermediaire kosten.
Je moet de vaste kostenvergoeding ook onderbouwen met een onderzoek vooraf naar de werkelijk door de werknemers gemaakte kosten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kosten onderweg en representatiekosten. Voor een vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer zal uiteraard geen onderzoek nodig zijn, omdat de woon-werkverkeer afstand vaststaat.
Je wijst de kostenvergoeding voor de gerichte vrijstellingen aan als eindheffingsloon in de WKR.
Let op! Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet je herhalen als de omstandigheden wijzigen of als de Belastingdienst daar een verzoek toe doet. In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst eigenlijk wil dat het onderzoek elke vijf jaar opnieuw gedaan wordt.
Geen terugwerkende kracht
Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet echt vooraf gebeuren. Je kunt niet na afronding van het onderzoek een vaste kostenvergoeding onbelast met terugwerkende kracht geven.
Ten laste van de vrije ruimte
Je kunt ook een vaste kostenvergoeding geven die (deels) niet betrekking heeft op een gerichte vrijstelling of intermediaire kosten. Dit is in principe belast loon voor je werknemer. Als dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, kun je dit ook aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de WKR.
Let op! Dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets als deze niet voor meer dan 30% afwijkt van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt. De Belastingdienst hanteert daarbij een doelmatigheidsmarge: aanwijzingen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk.
Vaste kostenvergoedingen uit cao’s
De Belastingdienst heeft veel cao’s beoordeeld op de gevolgen voor de loonheffingen. Geef jij je werknemers een vaste kostenvergoeding volgens een cao? Kijk dan hier of de Belastingdienst deze beoordeeld heeft en zo ja, wat het oordeel is.
Het plan was aanvankelijk om de compensatieregeling transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers per 1 juli 2026 alleen nog open te laten staan voor zogeheten kleine werkgevers. Dit zijn werkgevers met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Voor 2026 zou het dan gaan om werkgevers die in 2024 een sv-loonsom hadden van maximaal € 1.082.500.
Later plan: uitstel afschaffing en verbreding doelgroep
Het kabinet liet later echter weten dat de voorgenomen afschaffing van de compensatieregeling niet per 1 juli 2026, maar per 1 januari 2027 zou plaatsvinden. De afschaffing zou dan niet alleen betrekking hebben op de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid, maar ook bij bedrijfsbeëindiging door overlijden of pensionering. Bovendien zou dit dan gelden voor alle werkgevers, dus ook voor kleine werkgevers.
Laatste plan: nieuw uitstel afschaffing
Het kabinet heeft aangekondigd de afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding weer met een jaar uit te stellen. De nieuwe datum is nu 1 januari 2028. Voorlopig kunnen alle werkgevers (ongeacht bedrijfsgrootte) dus nog gebruik blijven maken van de compensatieregelingen.
Recht op transitievergoeding blijft
Het recht van een werknemer op de transitievergoeding blijft bestaan. Werknemers die worden ontslagen na het verstrijken van het opzegverbod bij ziekte houden dus recht op de transitievergoeding, ook als de compensatieregeling straks verdwijnt.
Dit geldt ook voor werknemers die hun baan verliezen omdat een werkgever stopt met het bedrijf vanwege pensionering of overlijden. Bij afschaffing van de compensatieregeling per 2028 moeten werkgevers van die datum deze kosten volledig zelf betalen.
Let op!Dit kan bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers weer leiden tot slapende dienstverbanden. De situatie die de wetgever met de invoering van de compensatieregeling transitievergoeding wegens langdurige arbeidsongeschiktheid juist wilde voorkomen.
Wel eventuele wijzigingen in transitievergoeding
Het kabinet is van plan werkgevers die werk maken van re-integratie dan wel outplacement te belonen door hen een lagere dan wel geen transitievergoeding te laten betalen. Onduidelijk is nog op welke wijze het kabinet dit wil gaan doen.