Skip to main content

Doelgroepen: DGA

Kabinet komt met aanpassingen in box 1, 2 én 3

Vermogenswinstbelasting in wetsvoorstel wet werkelijk rendement box 3

Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.

Let op! Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting, maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd.

Overige aanpassingen in box 3

De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:

  • Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat in 2027 omlaag naar het niveau van 2020: € 30.846 per belastingplichtige.
  • Het heffingsvrije resultaat in het nieuwe box 3-stelsel bedraagt in 2028 geen € 1.800 zoals eerder voorgesteld, maar € 1.000.
  • Het forfait voor overige bezittingen – dat is alles wat geen banktegoed is, zoals huurinkomsten – gaat in 2027 met 1,5% punt omhoog. In plaats van 6,37% zal dit forfait in 2027 dan dus 7,87% bedragen!

Tarief in box 2 omlaag

Het voorstel is om in de jaren 2027 tot en met 2030 het tarief van de tweede schijf in box 2 met 1,8% punt te verlagen naar 29,2%. De hoop is dat dga’s door de verlaging meer dividend uitkeren, waarmee een deel van de box 3-aanpassingen en de andere aanpassingen gedekt kunnen worden.

Jaar Schijf Belastbaar inkomen box 2 Tarief
2026 1  tot € 68.843  24,50%
   2  vanaf € 68.843  31,00%
 2027  1  tot € 69.607  24,50%
   2  vanaf € 69.607  29,20%

 

Tip! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.

Bedrag excessief lenen in vijf jaar naar € 100.000

Een ander dekkingsvoorstel is het verlagen van de € 500.000 grens in excessief lenen bij de eigen bv naar € 100.000. Dit gebeurt in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 is de grens dan € 420.000. Eind 2031 zal de grens € 100.000 zijn.

Let op! De uitzondering die nu al geldt voor eigenwoningschulden bij de bv blijft bestaan. Deze schulden tellen dus ook vanaf 2027 niet mee.

Aanpassing in box 1

Het kabinet wil werken meer laten lonen. Dit wil het kabinet niet langer doen door een verdere verhoging van de arbeidskorting. De arbeidskorting wordt daarom met € 133 verhoogd in plaats van € 173. Het kabinet verhoogt wel de grens waarboven het tarief van 49,5% geldt. In plaats van een inkomen vanaf € 78.426 begint het toptarief van 49,5% in 2027 vanaf € 80.578. Door deze verhoging wordt ook de algemene heffingskorting langzamer afgebouwd.

Hervorming WW en WIA uit de begroting

De eerder voorgenomen hervormingen op de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaan niet door. Het kabinet wil met werkgevers en werknemers komen tot een sociaal akkoord met daarin de benodigde hervormingen. Het van de begroting halen van de hervormingen betekent dat dit ten laste gaat van de begrotingen van alle ministeries, met uitzondering van Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.

Let op! De aanpassingen in box 1, 2 en 3 worden opgenomen in een novelle. Deze novelle moet vóór 31 december 2026 door de Tweede én Eerste Kamer zijn aangenomen. Zoals het kabinet zelf al aangeeft is dat een ambitieus tijdpad. Het is nog afwachten of dat ook gehaald wordt.

Wel of geen btw over mrb in de lease vanaf 2027?

Leaseauto op naam leasemaatschappij

In beginsel is btw verschuldigd over het hele leasebedrag dat een leasemaatschappij in rekening brengt voor de lease van een auto. Dit is in ieder geval zo wanneer de leaseauto op naam van de leasemaatschappij staat.

Door een hele oude goedkeuring van 18 juli 1995 hoefde over de doorberekende mrb van een leaseauto die op naam staat van de leasemaatschappij echter toch geen btw berekend te worden. Deze doorberekende mrb werd in die goedkeuring aangemerkt als zogenaamde quasi doorlopende post waarover geen btw verschuldigd was.

Hoewel het de bedoeling was om deze goedkeuring in te trekken was het besluit daarover van 25 januari 2007 niet helemaal helder. De staatssecretaris heeft bij besluit van 2 juli 2026 bevestigd dat de goedkeuring daarom zijn werking heeft behouden.

Dit eindigt echter per 1 januari 2027. Vanaf die datum moet dan ook btw berekend worden over de doorberekende mrb van een leaseauto die op naam staat van de leasemaatschappij.

Leaseauto op naam lessee

Als de mrb een zogenaamde doorlopende post is (dus zonder de quasi zoals hiervoor beschreven), kan de mrb zonder btw doorberekend worden. Er is sprake van een doorlopende post als de leaseauto op naam van de lessee (particulier dan wel zakelijk) staat én de leasemaatschappij de mrb betaalt. De leasemaatschappij heeft dan bij de RDW de mrb-verplichting bij ‘erkenning Voorbehoud en verplichtingen’ aangevinkt.

De leasemaatschappij kan dan de mrb één op één zonder btw doorberekenen aan de lessee. De mrb moet dan wel afzonderlijk op de factuur gespecificeerd zijn. Dit kan nu al, maar vanaf 2027 nog steeds.

Alternatief voor leaseauto op naam leasemaatschappij

Lease je een auto die op naam staat van de leasemaatschappij en heb je geen (volledig) recht op aftrek van btw, omdat je bijvoorbeeld (deels) btw-vrijgestelde prestaties verricht? Dan betekent het einde van de goedkeuring voor jou waarschijnlijk dat je leasekosten stijgen. Als de leasemaatschappij namelijk vanaf 1 januari 2027 btw berekent over doorberekende mrb, dan kun jij die btw niet (geheel) in aftrek brengen.

Er is een alternatief. Het is namelijk mogelijk om de lessee als houder van de leaseauto aan te merken. De mrb is dan verschuldigd door de lessee en niet meer door de leasemaatschappij. Betaalt de leasemaatschappij dan toch de mrb omdat bij de RDW de mrb-verplichting bij ‘erkenning Voorbehoud en verplichtingen’ is aangevinkt? Dan is de aan de lessee doorberekende mrb een doorlopende post. Dit doorberekenen kan dan zonder btw.

Box 2 tarief in 2027 gelijk, toch in 2026 nog dividend?

Tarief in box 2

De tarieven in box 2 zijn in 2027, op basis van de Prinsjesdag 2026 stukken, gelijk aan 2026. De schijven waarbinnen deze tarieven van toepassing zijn, worden wel iets verhoogd. In tabelvorm:

  Jaar  Schijf  Belastbaar inkomen box 2  Tarief
 2027  1  tot € 69.607  24,50%
   2  vanaf € 69.607  31,00%
 2026  1  tot € 68.843  24,50%
   2  vanaf € 68.843  31,00%

Dividend 2026 of 2027?

Het voorgaande betekent dat je in 2026 tot een dividend van € 68.843 van het lage tarief van 24,5% kan profiteren. In 2027 kan dit tot € 69.607. Is het dividend in een jaar hoger, dan bedraagt het tarief 31% in zowel 2026 als 2027.

Let op! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.

Beoordeel je dividendplanning en ga na of spreiding over 2026 en 2027 mogelijk voordelig is. Dit zal onder meer ook afhangen wat het bestedingsdoel is (komt het in box 3 of niet), het effect op de algemene heffingskorting en of je excessieve schulden (vanaf € 500.000, exclusief eigen woningschulden) aan je bv hebt.

Let op! Overleg hierover met een van onze adviseurs.

Toch nog verhoging box 2-tarief?

Het zal je niet ontgaan zijn dat de politiek er zeker nog niet uit is. De belastingplannen voor 2027 zijn weliswaar op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook zo de eindstreep gaan halen. De ervaringen uit de afgelopen jaren leren ons dat op de valreep, bij stemming in de Tweede Kamer en Eerste Kamer, er nog aanpassingen kunnen komen. Het is daarom nog niet zeker dat het tarief in box 2 in 2027 gelijk blijft aan in 2026. Houd daar rekening mee!

Prinsjesdag 2026: Tien belangrijke fiscale wijzigingen voor ondernemers

Let op! Niet alle punten die hieronder worden genoemd, komen uit het Belastingplan 2027. Enkele wijzigingen waren al eerder besloten, maar daar zijn aanpassingen op gedaan.

1. Minder fiscale voordelen voor ondernemers

Vanaf 2027 versobert het kabinet verschillende fiscale voordelen voor ondernemers. 

De ondernemersaftrek verlaagt de winst waarover een ondernemer inkomstenbelasting betaalt. Voor verschillende onderdelen van deze aftrek geldt vanaf 2027 een verdere versobering.

  • De zelfstandigenaftrek daalt van € 1.200 (2026) naar € 900. Daardoor stijgt de belastbare winst van ondernemers die aan het urencriterium voldoen.
  • Ook de startersaftrek gaat flink omlaag. Deze verhoging van de zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers daalt per 1 januari 2027 van € 2.123 (2026) naar € 10 en wordt per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. 
  • De startersaftrek blijft in 2027 en 2028 nog bestaan, maar wordt per 1 januari 2029 afgeschaft. De huidige maximumbedragen zijn € 12.000 in het eerste jaar, € 8.000 in het tweede jaar en € 4.000 in het derde jaar. 

Let op! Deze regeling geldt voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur én recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. 

  • De stakingsaftrek daalt in één keer van maximaal € 3.630 naar € 908. 
  • De percentages van de meewerkaftrek worden verlaagd van 1,25%, 2%, 3% en 4% naar respectievelijk 0,32%, 0,5%, 0,75% en 1%.

De stakingsaftrek en de meerwerkaftrek verdwijnen aan het begin van het derde kalenderjaar na het jaar waarin de verlaging ingaat. Bij inwerkingtreding per 2027 vervallen de regelingen dus per 1 januari 2030.

Per 1 januari 2028 vervalt nog een ander fiscaal voordeel voor ondernemers: de willekeurige afschrijving voor starters.

Vooral startende ondernemers, ondernemers die binnen enkele jaren willen stoppen en ondernemers met een meewerkende partner merken de gevolgen. De keuze voor een eenmanszaak, vof of bv vraagt daardoor opnieuw om een berekening op basis van de concrete winst en de persoonlijke situatie.

Let op! Laat bij grotere veranderingen in je winst, samenwerking of bedrijfsopvolging opnieuw berekenen welke rechtsvorm bij jouw onderneming past.

Tip! Door het hogere verzamelinkomen kunnen ook toeslagen veranderen. Controleer daarom voor 2027 en 2028 tijdig je geschatte inkomen voor de toeslagen.

2. Meer ruimte voor reiskosten, versobering van de WKR

Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 maximaal € 0,25 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dat was € 0,23. De verhoging geldt ook voor woon-werkverkeer. Het kabinet legt deze verhoging nu met terugwerkende kracht vast in de wet.

Let op! De verhoging betekent niet automatisch dat iedere werknemer recht heeft op € 0,25 per kilometer. Dat hangt af van de arbeidsovereenkomst, cao en het eigen mobiliteitsbeleid. Voor werkgevers kan een hogere vergoeding leiden tot hogere loonkosten.

Tegenover deze verruiming staat ook een versobering van de werkkostenregeling (WKR). De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten vervalt. Werkgevers mochten werknemers tot nu toe onbelast 20% personeelskorting geven over de waarde van het product in het economisch verkeer, tot een bedrag van maximaal € 500 per jaar. Deze vrijstelling verdwijnt. De korting kan vanaf 2027 nog wel ten laste van de vrije ruimte worden gebracht. Overschrijd je de vrije ruimte? Dan betaal je over het bedrag daarboven 80% eindheffing. 

De vrije ruimte over de eerste € 400.000 fiscale loonsom stijgt per 1 januari 2027 van 2% naar 2,16%. Daardoor krijg je maximaal € 640 extra vrije ruimte per jaar. Deze verhoging is al eerder aangenomen en maakt dus geen onderdeel uit van het Belastingplan 2027.

Tip! Pas het personeelshandboek, declaratiebeleid en de salarisadministratie tijdig aan en beoordeel of een hogere kilometervergoeding financieel en arbeidsvoorwaardelijk wenselijk is. Maakt je organisatie gebruik van personeelskorting op branche-eigen producten? Bekijk dan wat het vervallen van deze vrijstelling betekent. Dit zal zich vooral voordoen in de detailhandel en industrie.

3. Fossiel rijden duurder, grens youngtimerregeling naar 20 jaar

Stel je als werkgever vanaf 2027 een personenauto met uitstoot ook voor privégebruik beschikbaar aan een werknemer? Dan krijg je te maken met een pseudo-eindheffing van 12% van de cataloguswaarde. Deze heffing komt naast de bijtelling van de werknemer en mag je niet doorberekenen aan de werknemer. Voor auto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht.

De pseudo-eindheffing is vorig jaar al aangenomen, maar na overleg worden vier aanpassingen voorgesteld. 

  • Zo geldt de heffing niet voor vervangend vervoer tijdens de eerste veertien kalenderdagen van onderhoud of reparatie. 
  • Ook handgeschakelde lesauto’s worden uitgezonderd. 
  • Tot 31 december 2030 geldt ook een uitzondering voor een fossiele personenauto die een werkgever maximaal één keer per kalenderjaar voor maximaal zeven aaneengesloten dagen voor privédoeleinden ter beschikking stelt. Bijvoorbeeld bij een kortdurend gehuurde auto of deelauto. 
  • Als laatste wordt het overgangsrecht voor fossiele personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, verlengd tot en met 31 december 2030. 

De youngtimerregeling wordt geleidelijker versoberd dan eerder was vastgelegd, en ook minder vergaand. De bijtelling blijft gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer, maar de leeftijdsgrens stijgt in 2027 van 16 jaar naar 17 jaar en vanaf 2028 naar 20 jaar. De eerder voorziene snelle verhoging naar 25 jaar per 2027 gaat daarmee niet door. Voor auto’s die uiterlijk op 31 december 2025 al ter beschikking zijn gesteld en die in 2027 17 jaar worden, geldt overgangsrecht. Deze auto’s mogen de youngtimerregeling gedurende heel 2027 blijven toepassen. Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling alleen nog voor auto’s ouder dan 20 jaar.

Voor werkgevers wordt de keuze voor een zakelijke auto met name door de pseudo-eindheffing belangrijker. De contractduur, aandrijving en het moment waarop een auto voor het eerst ter beschikking wordt gesteld, kunnen grote fiscale gevolgen hebben. Een bestaande leaseplanning kan daardoor veel duurder of juist aantrekkelijker uitpakken.

Tip! Breng vóór nieuwe leasebeslissingen de totale werkgeverskosten, werknemersbijtelling, looptijd en fiscale overgangsregels goed in kaart.

4. Minder inflatiecorrectie verhoogt belastingdruk in box 1

Normaal gesproken stijgen de grenzen van de belastingschijven en verschillende heffingskortingen in box 1 mee met de inflatie. Zo blijft de belastingdruk normaal gesproken gelijk als het inkomen stijgt, in lijn met de inflatie.

In 2027 en 2028 past het kabinet de inflatiecorrectie slechts gedeeltelijk toe. Zonder deze maatregel zou de inflatiecorrectie voor 2027 2,6% bedragen. Daarvan wordt 48% toegepast. Hierdoor stijgen schijfgrenzen en heffingskortingen minder mee met de inflatie. De 48% wordt overigens niet toegepast op de tweede schijfgrens, deze blijft daarom in 2027 gelijk aan 2026. De eerste schijfgrens stijgt van € 38.883 naar € 39.247. De tweede schijfgrens blijft € 78.426.

Tegelijkertijd wijzigen de box 1-tarieven. Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt het tarief in de eerste schijf met 0,48%: van 35,75% in 2026 naar 36,23% in 2027. Het tarief in de tweede schijf stijgt met 0,60%: van 37,56% naar 38,16%. Het tarief in de derde schijf blijft 49,50%. 

Door de verhoging van de tarieven en beperkte indexering stijgt de belastingdruk in box 1. Dit effect wordt beperkt voor woningbezitters die de hypotheekrente ook tegen het hogere tarief van maximaal 38,16% kunnen aftrekken. 

Let op! Beoordeel je loon, dividend en winst altijd in samenhang. De belastingdruk kan namelijk onverwacht hoger zijn, omdat de algemene heffingskorting afhangt van het verzamelinkomen. Deze kan dus ook door een dividenduitkering dalen.

5. Uitstel box 3

Box 3 belast privévermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. In het huidige stelsel berekent de Belastingdienst het rendement grotendeels met forfaits. Is je werkelijke rendement lager, dan kun je onder voorwaarden tegenbewijs leveren.

Het kabinet heeft de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig uitgesteld. In de Voorjaarsnota 2027 komt het kabinet met een nieuw voorstel. Daardoor wordt de beoogde invoering per 1 januari 2028 niet gehaald of blijft deze datum op zijn minst onzeker. Het kabinet onderzoekt opnieuw of een vermogenswinstbelasting beter past dan een vermogensaanwasbelasting.

Bij een vermogensaanwasbelasting telt ook een nog niet gerealiseerde waardestijging jaarlijks mee. Bij een vermogenswinstbelasting volgt heffing pas bij bijvoorbeeld verkoop. Voor ondernemers en dga’s met beleggingen, verhuurd vastgoed of andere moeilijk verkoopbare bezittingen maakt dat een groot verschil.

Let op! Zolang er geen nieuw stelsel geldt, blijft een goede administratie van rente, dividend, huur, kosten en waardeveranderingen belangrijk. Deze gegevens zijn nodig voor de tegenbewijsregeling én voor de afweging tussen beleggen in privé of via een bv.

Tip! Wacht niet op het nieuwe stelsel. Leg het werkelijke rendement per vermogensbestanddeel jaarlijks vast en bewaar onderliggende documenten.

6. Meer steun voor innovatie en verduurzaming

Het kabinet maakt verschillende fiscale regelingen voor investeringen en innovatie aantrekkelijker. Zo stijgt de energie-investeringsaftrek per 1 januari 2027 van 40% naar 45,5%. Investeer je in kwalificerende energiezuinige bedrijfsmiddelen? Dan mag je daardoor een groter deel van je investering extra aftrekken van de winst.

Ook de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk wordt verruimd. Het forfaitaire uurloon stijgt van € 29 naar € 33. Deze regeling verlaagt de loonheffing die je als werkgever afdraagt als je medewerkers werken aan technisch nieuwe producten, processen of programmatuur.

Maakt je onderneming gebruik van de innovatiebox? Ook deze regeling wordt aantrekkelijker. Vanaf 1 januari 2027 stijgt het maximale forfaitaire bedrag van € 25.000 naar € 100.000 per jaar. Het forfait blijft maximaal 25% van de winst. Ook de huidige toepassingsduur van drie jaar verandert niet. Hierdoor kun je een groter deel van de winst tegen het lagere innovatiebox-tarief laten belasten.

Tip! Wil je gebruikmaken van de energie-investeringsaftrek? Controleer vóórdat je verplichtingen aangaat of het bedrijfsmiddel op de energielijst staat. Dien vervolgens je aanvraag in bij RVO binnen de geldende termijn van drie maanden.

7. Fiscale stimulans voor start-ups en scale-ups

Om innovatie en groei van specifieke jonge ondernemingen te stimuleren, introduceert het kabinet een aantrekkelijke fiscale regeling voor aandelenopties van werknemers bij start-ups en scale-ups. In principe betaalt de werknemer de belasting wanneer hij de aandelen die hij uit de opties heeft verkregen, daadwerkelijk verkoopt. Na aftrek van de uitoefenprijs die aan de aandelen is toe te rekenen, wordt onder voorwaarden slechts 65% van het voordeel belast als loon. Verkoopt de werknemer het aandelenoptierecht in plaats van de aandelen? Dan geldt deze lagere grondslag niet. De werknemer kan ook schriftelijk kiezen voor eerdere belastingheffing op het moment van uitoefening van het optierecht of zodra de aandelen verhandelbaar zijn.

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die kwalificeren als start-up of scale-up en een beschikking hebben van RVO. Deze beschikking is vanaf de dagtekening acht jaar geldig. Onder voorwaarden kun je de beschikking steeds met vijf jaar verlengen, tot een totale looptijd van maximaal 23 jaar. Daarnaast geldt in principe een minimale periode van twee jaar tussen de toekenning van het aandelenoptierecht en de verkoop van dit recht of de aandelen die daaruit voortkomen. Verkoopt de werknemer eerder vanwege een verkoop op beursgang van de onderneming? Dan geldt een uitzondering en is de regel wel van toepassing.

De regeling moet op 1 januari 2027 ingaan. De definitieve inwerkingtreding vindt plaats op een tijdstip dat bij koninklijk besluit wordt bepaald. Aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, kunnen mogelijk ook gebruikmaken van de regeling. Daarvoor moeten de aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken en moet aan de overige voorwaarden zijn voldaan. In dat geval moet je onderneming de beschikking uiterlijk op 31 december 2027 bij RVO aanvragen.

Tip! Onderzoek tijdig of je onderneming in aanmerking komt voor een RVO-beschikking. Beoordeel daarnaast of werknemersparticipatie je kan helpen om talent aan te trekken, te belonen en te behouden.

8. Hogere Aof-premie door vrijheidsbijdrage

Ook werkgevers moeten een zogenoemde vrijheidsbijdrage leveren om de stijgende defensie-uitgaven te bekostigen. Het kabinet wil deze lastenverzwaring grotendeels innen via een verhoging van de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Volgens de raming levert deze verhoging in 2027 € 1,5 miljard aan extra premieopbrengsten op. Vanaf 2028 gaat het structureel om € 1,7 miljard per jaar.

De hoge en lage Aof-premiepercentages staan nog niet vast. De premiepercentages worden later bekendgemaakt, tegelijk met de jaarlijkse premiepercentages voor de werknemersverzekeringen. Daardoor is nog niet duidelijk hoeveel je werkgeverslasten precies stijgen. 

Tip! Houd in je personeelsbegroting voor 2027 rekening met hogere werkgeverslasten. Pas je loonkostenberekening aan zodra de hoge en lage Aof-premiepercentages voor 2027 officieel zijn vastgesteld.

9. Overdrachtsbelasting op beleggingswoningen naar 7%

Koop je een woning waarin je niet zelf duurzaam gaat wonen? Dan betaal je overdrachtsbelasting tegen het algemene woningtarief. Dit geldt bijvoorbeeld voor een verhuurde woning of vakantiewoning. Per 1 januari 2027 daalt dit tarief van 8 naar 7%. Het tarief van 2% voor een woning waarin je zelf gaat wonen en de startersvrijstelling blijven ongewijzigd. 

Let op!Voor bedrijfspanden geldt deze verlaging niet. Bij gemengde objecten, transformaties en projectontwikkeling kan discussie ontstaan over welk deel als woning kwalificeert. Het gebruik en de staat van het object op het moment van verkrijging spelen daarbij een belangrijke rol.

Door de tariefsverlaging kan het interessant zijn om opnieuw naar het moment van transactie te kijken. Houd daarbij ook rekening met andere factoren, zoals financiering, rendement, btw en de juridische structuur.

Tip! Laat vóór ondertekening van de koopovereenkomst beoordelen welk tarief voor jouw situatie geldt. Onderzoek daarbij of het zinvol en haalbaar is om de levering bij de notaris uit te stellen tot na 1 januari 2027.

10. Aftrek voor specifieke zorgkosten verdwijnt in 2028

Bepaalde niet-vergoede zorgkosten zijn nu onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Denk aan specifieke geneesmiddelen, hulpmiddelen, dieetkosten, vervoer en extra gezinshulp. De aftrek geldt pas nadat rekening is gehouden met vergoedingen en een inkomensafhankelijke drempel.

Het kabinet schaft de aftrek voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 af. Ook de daaraan gekoppelde regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de TSZ-regeling, verdwijnt. Voor mensen met een chronische ziekte werkt het kabinet aan een gerichte compensatieregeling. Het wetsvoorstel kent geen overgangsrecht. De maatregel raakt vooral mensen met een chronische ziekte, beperking of structureel hoge, niet-vergoede zorgkosten. Ook ondernemers en dga’s kunnen hierdoor privé met hogere nettolasten te maken krijgen. Het financiële effect verschilt sterk, omdat niet iedere zelf betaalde zorguitgave nu aftrekbaar is.

Tip! Breng terugkerende aftrekbare zorgkosten in kaart. Zo wordt zichtbaar welk belastingvoordeel vanaf 2028 mogelijk wegvalt en in hoeverre een toekomstige compensatieregeling daarin voorziet.

Bij welke bv moet je gebruikelijk loon genieten?

Dienstbetrekking bij de holding

Ben je in dienstbetrekking bij de holding, dan moet de holding jou een gebruikelijk loon betalen. Het gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meest verdienende werknemer in je bv of de verbonden bv’s, of
  • € 58.000.

Let op! Kun je aannemelijk maken dat het berekende gebruikelijk loon hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag je het gebruikelijk loon vaststellen op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.

Reële managementovereenkomst met de werk-bv

Heeft de holding een managementovereenkomst gesloten met de werk-bv? En verricht jij op basis van die managementovereenkomst werkzaamheden bij de werk-bv? Als de managementovereenkomst een reële overeenkomst is, dan ben jij niet in dienstbetrekking bij de werk-bv. De vergoeding die de werk-bv betaalt aan de holding vormt dan ook geen (doorbetaald) loon voor jou.

Let op! Voor de beoordeling van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking in de holding moet je wel de voor de werk-bv verrichte werkzaamheden meenemen.

Niet-reële managementovereenkomst met de werk-bv

Verricht je werkzaamheden voor de werk-bv. en is de managementovereenkomst geen reële overeenkomst, dan ben jij waarschijnlijk wel in dienstbetrekking bij de werk-bv. De Belastingdienst heeft aangegeven dat in zo’n geval de vergoeding die de werk-bv betaalt, het uitgangspunt vormt voor het vaststellen van het loon in de werk-bv.

Let op! Waarschijnlijk kan in deze situatie de doorbetaaldloonregeling worden toegepast. De doorbetaaldloonregeling betekent dat je dan geen loon hoeft te genieten uit de werk-bv, maar alleen uit de holding. De hoogte van het loon bij de holding wordt bepaald door de gebruikelijkloonregeling.

Wanneer reëel?

Helaas geeft de Belastingdienst in de twee casussen geen inzicht in wanneer de Belastingdienst de managementovereenkomst reëel vindt en wanneer niet. In grote lijnen gaat het erom dat jijzelf niet rechtstreeks gebonden wordt maar dat de afspraken gelden tussen de holding en de werk-bv. Als jij zelf wel rechtstreeks gebonden wordt, zou dat een indicatie kunnen zijn dat de managementovereenkomst niet reëel is.

Let op! Overleg met onze adviseurs hoe het risico op een niet-reële managementovereenkomst verkleind kan worden.

Streef naar een reële managementovereenkomst. Een niet-reële managementovereenkomst met als gevolg een dienstbetrekking bij de werkmaatschappij kan tot (ongewenste) verzekeringsplicht en premieplicht voor de werknemersverzekeringen leiden. De doorbetaaldloonregeling geldt in zo’n geval meestal niet voor de werknemersverzekeringen.

 

Phased introduction of the right of access to tax records

Right of access to tax records 

It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.  

Fragmented 

At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years. 

‘Keuze digitaal’ programme 

Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return. 

 Timeline 

The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:  

  • Phase 1 covers access to formal correspondence, such as tax assessments, decisions, formal letters and submitted forms. The plan is to introduce this for VAT in 2026, for vehicle taxes, payroll taxes, corporation tax and gift and inheritance tax in the period 2027–2028, and for income tax in 2029. 
  • Phase 2 provides access to the reasoning behind decisions, such as the grounds for an assessment and the progress of a case. This is planned for all the taxes listed in Phase 1 during the period 2029 to 2031 inclusive. 
  • Phase 3 will provide access to a comprehensive and coherent case file. This is planned from 2032 onwards. 

Exception for excise duties and consumption taxes 

For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

Invoering fiscaal inzagerecht in fases

Fiscaal inzagerecht

Wettelijk is vastgelegd dat belastingplichtigen recht hebben op inzage in hun eigen fiscale dossier bij de Belastingdienst. In de brief geeft de staatssecretaris aan hoe de implementatie van dit fiscaal inzagerecht de komende jaren gestalte gaat krijgen, wat het beoogde tijdpad is en welke uitzonderingen er op het inzagerecht gemaakt gaan worden.

Versnipperd

Op dit moment is bij de Belastingdienst nog geen centrale dossiervorming: de informatie van het fiscale dossier is nog vergaand versnipperd in tientallen niet aan elkaar gekoppelde systemen. Voor het fiscale inzagerecht zal de Belastingdienst daarom een verandering in de manier van werken door moeten voeren. Het doel is het bereiken van een gestructureerde, extern gerichte en ontsluitbare dossiervorming, aldus de staatssecretaris. De stukken van het fiscaal dossier zullen de komende jaren stapsgewijs digitaal beschikbaar gesteld worden.

Programma ‘Keuze digitaal’

Met het op dit moment binnen de Belastingdienst uitgevoerde programma ‘Keuze digitaal’ zullen beschikkingen, uitnodigingen, herinneringen en ingediende stukken tot 2030 stapsgewijs beschikbaar komen in MijnBelastingdienst (Zakelijk). Dit wordt later uitgebreid met standaardbrieven en automatische berichten, gevolgd door informatie uit individuele dossiers bijvoorbeeld over de behandeling van een aangifte.

Tijdpad

In de brief staat ook een voorlopig tijdpad, waarin de voorgenomen invoering van het fiscale inzagerecht is opgenomen:

  • Fase 1 bevat inzage in de formele communicatie, zoals aanslagen, beschikkingen, formele brieven en ingediende formulieren. Gepland is om dit voor de omzetbelasting in 2026 in te voeren, voor de autoheffingen, loonheffingen, vennootschapsbelasting en schenk- en erfbelasting in de periode 2027-2028 en voor de inkomstenbelasting in 2029.
  • Fase 2 bevat inzage in de onderbouwing van besluiten, zoals de aanleiding voor een beoordeling en het verloop van een zaak. In de periode 2029 tot en met 2031 is dit gepland voor alle in fase 1 opgesomde belastingen.
  • Fase 3 bevat inzage in een integraal en samenhangend dossier. Dit is gepland vanaf 2032.

Uitzondering accijnzen en verbruiksbelastingen

Voor de Douane zou het fiscale inzagerecht alleen van toepassing zijn op accijnzen en verbruiksbelastingen. De staatssecretaris zondigt deze heffingen echter uit van het fiscale inzagerecht. Dit laatste betekent niet dat de Douane zich niet inzet op het verder verbeteren van de informatiepositie en rechtsbescherming van belastingplichtigen, zo geeft de bewindsman aan.

Wat is er fiscaal te verwachten op Prinsjesdag 2026?

Verhoging eerste schijf vrije ruimte WKR of afschaffing?

Eind 2024 is al in de wet opgenomen dat de eerste schijf in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) per 1 januari 2027 omhooggaat van 2 naar 2,16%. SEO Economisch Onderzoek (SEO) heeft, na een evaluatie van de WKR over de jaren 2019-2024, echter aanbevolen om de eerste schijf in de vrije ruimte helemaal af te schaffen. Op Prinsjesdag 2026 wordt waarschijnlijk duidelijk of het kabinet deze aanbeveling overneemt.

Andere aanpassingen WKR

Ook wordt dan duidelijk of het kabinet de volgende aanbevelingen van SEO overneemt:

  • het mogelijk maken van samenloop van de onbelaste thuiswerkvergoeding en reiskostenvergoeding op één dag;
  • de verhoging van de 80%-eindheffing die verschuldigd is bij overschrijding van de vrije ruimte;
  • het afschaffen van de diensttijdvrijstelling van een maandloon bij een werkjubileum van 25 of 40 jaar;
  • de introductie van een gerichte vrijstelling voor de premie van een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering;
  • het wettelijk vastleggen en indexeren van de doelmatigheidsgrens van € 2.400.

De verwachting is dat in ieder geval de gerichte vrijstelling voor kortingen en vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf wordt afgeschaft.

Aanpassingen expatregeling

Het vergoedingspercentage in de expatregeling (voorheen: 30%-regeling) gaat per 1 januari 2027 omlaag van 30 naar 27%. Tegelijkertijd gaan er ook hogere salarisnormen gelden. Deze aanpassingen zijn al eerder in de wet opgenomen. Het kabinet heeft aangegeven niet van plan te zijn de expatregeling nog verder te versoberen.

Verhoging belastingvrij bedrag reiskosten

Al eerder bekendgemaakt – en ook al in werking getreden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 –, is de verhoging van het belastingvrije bedrag voor reiskosten van € 0,23 naar € 0,25. Deze verhoging geldt voor de onbelaste reiskostenvergoeding die een werkgever aan zijn werknemer geeft, en voor de aftrekbare zakelijke reiskosten van een ondernemer of resultaatgenieter in de inkomstenbelasting. Je mag vanaf de aangifte IB 2026 ook rekening houden met dit hogere bedrag bij het berekenen van de aftrekbare ziektekosten.

Let op!De verhoging naar € 0,25 is nu nog in een besluit opgenomen, maar wordt in het belastingpakket van Prinsjesdag 2026 ook in de wet opgenomen.

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto

Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. Dit voorstel is vorig jaar al aangenomen, maar op Prinsjesdag 2026 worden aanpassingen verwacht, zoals een uitzondering op de pseudo-eindheffing voor vervangende auto’s bij schade, reparatie en onderhoud, en een uitzondering op de heffing voor lesauto’s.

Youngtimerregeling

Het kabinet denkt erover om de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling niet ineens per 1 januari 2027 te verhogen van 16 naar 25 jaar. Een auto van de zaak die onder de youngtimerregeling valt, kent een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van de reguliere bijtelling die geldt voor jongere auto’s. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad in plaats van de verhoging naar 25 jaar per 1 januari 2027.

Greentimerregeling

Het kabinet heeft de gedachte om een nieuwe bijtellingskorting te introduceren voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Deze regeling zou de naam Greentimerregeling moeten krijgen.

Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Er ligt een plan om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het effectieve loonheffingentarief wordt dan afgerond 32%, waarmee het ongeveer gelijk is aan de belastingheffing over aandelenopties in box 2.

Het kabinet heeft eerder aangegeven het wetsvoorstel hiervoor in september 2026 aan de Tweede Kamer te willen aanbieden. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

Ondernemersaftrek

Wat betreft aftrekmogelijkheden voor ondernemers worden de volgende wijzigingen in het belastingpakket verwacht:

  • verhoging van het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) van 40 naar 45,5% per 2027;
  • verlaging van de stakingsaftrek en meewerkaftrek met 75% per 1 januari 2027 en afschaffing hiervan per 1 januari 2030;
  • verlaging van de startersaftrek per 1 januari 2027 en afschaffing van deze aftrek per 1 januari 2028.

Particulieren

Voor de particulier wordt waarschijnlijk de aftrek van specifieke zorgkosten afgeschaft per 1 januari 2028. Verder worden op Prinsjesdag diverse aanpassingen op het nog bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3 verwacht. Hiervoor liggen verschillende opties, waarover het kabinet in augustus nog een besluit neemt.

Overdrachtsbelasting

Waarschijnlijk gaat het algemene woningtarief in de overdrachtsbelasting omlaag van 8 naar 7% per 1 januari 2027. Dit tarief geldt voor de verkrijging van woningen die de verkrijger niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken.

Voor overdrachten van woningen tussen woningcorporaties binnen de sociale huisvestingstaak komt er waarschijnlijk een vrijstelling overdrachtsbelasting.

Btw

Het plan om per 1 januari 2028 het btw-tarief op sierteeltproducten te verhogen van 9 naar 21% btw wordt ook in de belastingpakketten op Prinsjesdag 2026 verwacht.

Advieswijzer Auto: zakelijk of privé?

Rekensom is niet eenvoudig

Het is niet eenvoudig om te beoordelen wat voordeliger is: een auto op de zaak of in privé rijden. De beoordeling is namelijk afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals de hoogte van de afschrijvingen, de onderhoudskosten, de verzekeringskosten, de motorrijtuigenbelasting, eventuele financieringskosten, de CO2-uitstoot van de auto, het aantal in een jaar te rijden privé- en zakelijke kilometers, de btw-gevolgen, de bijtelling en vanaf 2027 de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Als je deze gegevens helder voor ogen zou hebben, kun je berekenen wat het voordeligst is. Over het algemeen zijn deze gegevens echter niet volledig bekend en zal van schattingen moeten worden uitgegaan. De werkelijkheid kan dan afwijken van de berekeningen. Vervolgens moet je ook nog rekening houden met belastingtarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en andere fiscale regelingen, die regelmatig wijzigen.

Let op! Ben je ondernemer in de inkomstenbelasting, dan mag je bij de aanschaf doorgaans kiezen of je de auto tot je ondernemingsvermogen rekent of tot je privévermogen. Die keuze heb je echter niet als je maar maximaal 500 kilometer per jaar privé met de auto rijdt. Je moet de auto dan verplicht tot het ondernemingsvermogen rekenen. Rijd je minder dan 10% van het aantal kilometers zakelijk, dan moet je de auto verplicht tot het privévermogen rekenen.

Auto van de zaak

De auto van de zaak heeft een aantal voordelen:

  • Als je de auto tot het ondernemingsvermogen rekent, worden de aanschaf- en alle overige (auto)kosten betaald door je onderneming.
  • Je kunt de overige autokosten – denk aan bijvoorbeeld onderhoud, brandstof, verzekering, motorrijtuigenbelasting, maar ook financierings-, parkeer- en waskosten – aftrekken van de winst van je onderneming en bovendien jaarlijks de afschrijving op de auto ten laste van de winst brengen.
  • Voor auto’s zonder CO2-uitstoot op waterstof of zonnecellen heb je recht op milieu-investeringsaftrek (zie hierna). Dat geldt niet voor de eventuele laadpaal.
    Schaf je in 2026 een milieuvriendelijke auto aan en reken je deze tot het ondernemingsvermogen, dan kom je mogelijk in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek (MIA). De MIA geldt in 2026 alleen nog voor een waterstofpersonenauto en voor een personenauto op zonnecellen met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Er gelden verschillende aftrekpercentages en er zijn maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.
Soort auto MIA % Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag
 Waterstofpersonenauto 45% over 90% van investeringsbedrag  € 75.000
Zonnecel-personenauto 36% over 90% van investeringsbedrag  € 100.000

De auto van de zaak brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Bij verkoop van de auto realiseert jouw onderneming mogelijk een belaste winst. Het kan echter ook dat je een aftrekbaar verlies realiseert.
  • Als je de auto van de zaak ook privé gebruikt, krijg je in de meeste gevallen te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Vanaf 2027 moet de bv van een dga rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (daarover straks meer).
  • Jouw onderneming moet btw betalen over de waarde van het privégebruik auto. Kun je dit privégebruik niet bepalen, dan geldt in de regel dat de te betalen btw 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) bedraagt. Na het vierde jaar van aanschaf of ingeval bij de aanschaf geen recht op aftrek van btw bestond, is dit 1,5%.

Let op! Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan kan sowieso een deel van de btw niet in aftrek worden gebracht. Verricht je bijvoorbeeld voor 40% vrijgestelde prestaties, dan kan ook 40% van de btw niet in aftrek worden gebracht. Ook de niet-aftrekbare btw vanwege het privégebruik wordt dan naar rato verminderd. Bij 40% vrijgestelde prestaties is de correctie dan niet 2,7%, maar 60% (100% -/- 40%) x 2,7%. Je kunt immers ook maar 60% van alle btw aftrekken.

Bijtelling privégebruik auto

De fiscale spelregels voor de bijtelling privégebruik auto zijn afhankelijk van jouw ondernemingsvorm. Ben je directeur-grootaandeelhouder (dga) en opereer je vanuit een bv, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de loonbelasting. Vanaf 2027 moet de bv van een dga ook rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Ben je echter een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak, vof, cv of maatschap, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de inkomstenbelasting. Voor de laatste categorie kan de bijtelling nooit méér bedragen dan de werkelijke kosten van de auto in dat jaar (inclusief afschrijving). Een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak krijgt voor zichzelf niet te maken met de peudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (mogelijk wel voor zijn personeel).

Voor de meeste auto’s die vanaf 2017 op kenteken zijn gezet, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een lagere bijtelling. De lage bijtelling is beperkt tot een deel van de cataloguswaarde (met uitzondering van auto’s op waterstof en op zonnecellen). Over het meerdere geldt de normale bijtelling van 22%.

Voor een nieuwe auto gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

CO2-uitstoot Bijtelling
 0 (op batterij)  18% tot € 30.000, daarboven 22%
 0 (op waterstof of op zonnecellen)  18% onbeperkt
 Meer dan 0  22%

Je wordt in beginsel niet elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.

Let op! Voor een in 2027 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt in 2027 een bijtellingspercentage van 20% tot € 30.000 en 22% daarboven. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen is dat 20% over de gehele cataloguswaarde. Voor een in 2028 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt geen lagere bijtelling meer.

Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een elektrische auto betreft met een CO2-uitstoot van nul. Hiervoor wordt de bijtelling in 2026 21% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en 25% over het meerdere.

Een bijtelling kan achterwege blijven als je kunt bewijzen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto hebt gereden. Woon-werkkilometers worden voor de inkomstenbelasting gezien als zakelijk, ook als je thuis gaat lunchen. Voor de btw gelden die kilometers echter als privé.

Let op! Is jouw auto ouder dan 16 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling in 2026 geen 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde van de auto in het economisch verkeer. Eind 2025 is een wetswijziging aangenomen waarin de leeftijdsgrens per 2027 verhoogd wordt naar 25 jaar en ouder.. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad waarbij bijvoorbeeld de verhoging naar 25 jaar niet in een keer maar geleidelijk gebeurd of alleen voor auto’s die in 2026 jonger dan 16 jaar zijn.

Let op! Het kabinet denkt na over een regeling om gebruikte, elektrische auto’s aantrekkelijker te maken voor zakelijke rijders. Gedacht wordt aan een vermindering van de bijtelling voor elektrische auto van vijf tot acht jaar oud. In de augustusbesluitvorming 2026 beslist het kabinet over de invoering van deze greentimerregeling.

Pseudo-eindheffing per 2027

Er wordt per 2027 een pseudo-eindheffing ingevoerd voor werkgevers die hun personeel een personenauto ter beschikking stellen die CO2 uitstoot. Ook voor een dga die in dienst is bij zijn eigen bv en over een personenauto van de zaak beschikt die CO2 uitstoot, is de pseudo-eindheffing van toepassing. De pseudo-eindheffing geldt echter niet voor een ondernemer in de inkomstenbelasting die over een personenauto van de zaak beschikt, maar wel voor de personenauto’s die hij aan zijn werknemers ter beschikking stelt. De pseudo-eindheffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde per jaar en komt voor rekening van de werkgever.

Wanneer geen pseudo-eindheffing?

De pseudo-eindheffing geldt niet:

  • Voor de personenauto die niet privé mag worden gebruikt. Voor deze regeling wordt woon-werkverkeer echter als privé aangemerkt.
  • Tot 17 september 2030 voor personenauto’s die de werkgever vóór 1 januari 2027 al ter beschikking stelt. Vanaf die datum geldt de pseudo-eindheffing wel voor alle ter beschikking gestelde personenauto’s die CO2 uitstoten. Het kabinet heeft aangekondigd de termijn te willen verlengen van 17 september 2030 naar 1 januari 2031.
  • Voor personenauto’s die geen CO2 uitstoten, zoals een elektrische personenauto.
  • Voor auto’s die geen personenauto zijn, zoals een bestelbus.

Het kabinet heeft aangekondigd ook nog uitzonderingen te willen invoeren:

  • voor de vervangende personenauto’s die maximaal veertien kalenderdagen (aaneengesloten) ter beschikking worden gesteld ter vervangging van de vaste auto bij bijvoorbeeld schade of reparatie,
  • tot 1 januari 2031 voor fossiele de ter beschikking stelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten kalenderjaar, en
  • voor lesauto’s.

Privéauto

De auto die je in privé aanschaft, heeft een aantal voordelen:

  • De auto blijft jouw privé-eigendom.
  • Bij verkoop van de auto realiseer je in privé mogelijk een onbelaste winst. Het is echter ook mogelijk dat je een niet-aftrekbaar verlies lijdt. 
  • Je krijgt niet te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Je bv krijgt vanaf 2027 niet te maken met de pseudo-eindheffing voor personenauto’s die CO2 uitstoten.
  • Jouw onderneming hoeft ook geen btw te betalen over de waarde van het privégebruik van de auto. De ondernemer in de inkomstenbelasting kan de auto voor de omzetbelasting overigens tot het ondernemingsvermogen rekenen, ook als de auto voor de winstberekening tot het privévermogen is gerekend. Andersom kan dit ook. De keuze voor de omzetbelasting staat dus los van de keuze voor de inkomstenbelasting. Bij keuze voor ondernemingsvermogen geldt de btw over het privégebruik wel.
  • Je kunt van je bv een belastingvrije onkostenvergoeding ontvangen van € 0,25 per zakelijke kilometer, (tot 1 januari 2026 was dit € 0,23 perkm) (of ten laste van jouw winst brengen als je ondernemer in de inkomstenbelasting bent).
  • Ben je dga, dan kun je mogelijk ten laste van jouw vrije ruimte nog een hogere onkostenvergoeding belastingvrij ontvangen. Deze mogelijkheid is afhankelijk van de hoogte van jouw vrije ruimte en uw andere vergoedingen en verstrekkingen die zijn toegewezen aan de vrije ruimte.
  • Je kunt een deel van de btw op gebruik en onderhoud van de auto in aftrek brengen. Dit kan alleen als jouw onderneming btw-belaste prestaties verricht. Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan zal geen aftrek van btw mogelijk zijn voor de verhouding vrijgestelde prestaties-totale prestaties.

De auto in privé brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Je moet zelf in privé de aanschafkosten en alle overige autokosten betalen.
  • Je kunt de gemaakte autokosten niet aftrekken van de winst van jouw onderneming (met uitzondering van de onkostenvergoeding van €0,25/km die jouw onderneming ten laste van de winst mag brengen voor jouw zakelijke kilometers) en je kunt ook de afschrijving op de auto niet ten laste van de winst van jouw onderneming brengen.
  • De btw die je betaalt bij aanschaf van de auto kun je niet in aftrek brengen, tenzij je de auto voor de btw als zakelijk aanmerkt. Je kunt hiervoor kiezen, ook als je de auto voor de inkomstenbelasting als privé aanmerkt.

Let op! Als jouw onderneming nagenoeg alle kosten van jouw privéauto aan je vergoedt, kan jouw privéauto door de Belastingdienst alsnog als auto van de zaak worden aangemerkt.

De keuze: zakelijk of privé?

Het antwoord op de vraag wat voordeliger is, de auto zakelijk of privé, is afhankelijk van allerlei, vaak niet precies bekende omstandigheden en factoren. Dit maakt het lastig om exact te berekenen wat voordeliger is. Toch is er wel een aantal grove vuistregels te geven. Zo is bij lage afschrijvingskosten of bij veel zakelijke kilometers een privéauto over het algemeen voordeliger. Maak echter geen ondoordachte keuze. Wij kunnen aan de hand van alle gegevens een berekening voor jou maken.

Overbrengen naar privé: ondernemer in de inkomstenbelasting?

Staat een auto eenmaal op de zaak, dan kun je als ondernemer in de inkomstenbelasting deze in beginsel niet overbrengen naar privé. Overbrengen naar privé kan alleenals er fiscaal sprake is van een zogenaamde bijzondere omstandigheid. Daarvan is niet vaak sprake. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld een wetswijziging of rechterlijke uitspraak waardoor je een andere keuze gemaakt zou hebben als je dit zou hebben geweten voordat je besliste de auto op de zaak te zetten. Of als je de auto helemaal niet meer zakelijk zou gebruiken (bijvoorbeeld omdat je een nieuwe auto koopt). Dan ben je zelfs verplicht de auto voortaan tot het privévermogen te rekenen. Deze overgang moet plaatsvinden voor de werkelijke waarde, waardoor je – afhankelijk van de fiscale boekwaarde – een boekwinst of -verlies realiseert. Ook voor de btw kan dit gevolgen hebben.

Overbrengen naar privé: ondernemers met een bv

Een auto op naam van uw bv is in beginsel altijd zakelijk. Bij een bv is overbrengen naar privé wel mogelijk, zelfs als er geen bijzondere omstandigheden zijn. Je kunt namelijk de auto altijd van jouw bv aan jezelf als dga verkopen. Vervolgens kun je zakelijke ritten voor de bv maken tegen een vergoeding van € 0,25 per kilometer. 

Let op! Er is onduidelijkheid over de vraag over welk bedrag btw verschuldigd is als een dga de auto overneemt van de bv tegen een lagere prijs dan de marktwaarde. Moet de btw dan berekend worden over deze lagere prijs of over de werkelijke waarde? Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseerde eind 2025 de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde. In een soortgelijke situatie kun je de btw over de marktwaarde van de auto afdragen en bezwaar maken tegen jouw eigen aangifte. Op die manier stel je jouw rechten zeker als de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt welke visie de juiste is. Bovendien voorkom je op deze manier een boete.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Geen strijd Europees recht voor Wet excessief lenen

Wet excessief lenen

De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, ook wel de dga-taks genoemd, regelt grofweg dat de dga die te veel heeft geleend bij de eigen bv, hierover belasting betaalt in box 2. In 2026 geldt er een drempel van € 500.000 en bedraagt het tarief 24,5% over de eerste € 68.843 inkomen in box 2 (bij fiscale partners het dubbele) en 31% daarboven.

Let op! Voor toepassing van deze drempel van € 500.000 kan meer meetellen dan alleen een lening aan de dga. Verder zijn ook uitzonderingen op de regel mogelijk. Laat je goed informeren over de toepassing van de wet.

Geen strijd Europees recht op stelselniveau

Een belastingplichtige die in 2023 een te grote schuld had aan zijn eigen bv, werd geconfronteerd met de heffing in box 2 over het bedrag van de schuld op 31 december 2023 boven de drempel. De belastingplichtige vond deze heffing in box 2 op stelselniveau in strijd met Europees recht (artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en artikel 6 en 7 van het EVRM). De Belastingdienst vond dat er geen strijd was en zo kwam deze zaak voor rechtbank Den Haag.

De rechtbank vond ook dat de heffing op stelselniveau niet in strijd was met Europees recht. De rechtbank onderbouwde dit met onder meer de volgende argumenten. De wet kent volgens de rechtbank een legitiem doel in het algemeen belang, namelijk het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. De wetgever heeft ook voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van de wet omdat de heffing in september 2018 al is aangekondigd en uiteindelijk pas vanaf 31 december 2023 effectief was, aldus de rechtbank.

Let op! Mogelijk volgt nog een hoger beroep of legt een andere belastingplichtige dezelfde vraag nog voor aan een andere rechtbank of gerechtshof. Hoewel nooit met zekerheid de kans van slagen voorspeld kan worden, is de kans dat een rechter gaat oordelen dat sprake is van strijd met Europees recht waarschijnlijk klein.