Overslaan en naar de inhoud gaan

Doelgroepen: Prive

Kabinet komt met aanpassingen in box 1, 2 én 3

Vermogenswinstbelasting in wetsvoorstel wet werkelijk rendement box 3

Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.

Let op! Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting, maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd.

Overige aanpassingen in box 3

De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:

  • Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat in 2027 omlaag naar het niveau van 2020: € 30.846 per belastingplichtige.
  • Het heffingsvrije resultaat in het nieuwe box 3-stelsel bedraagt in 2028 geen € 1.800 zoals eerder voorgesteld, maar € 1.000.
  • Het forfait voor overige bezittingen – dat is alles wat geen banktegoed is, zoals huurinkomsten – gaat in 2027 met 1,5% punt omhoog. In plaats van 6,37% zal dit forfait in 2027 dan dus 7,87% bedragen!

Tarief in box 2 omlaag

Het voorstel is om in de jaren 2027 tot en met 2030 het tarief van de tweede schijf in box 2 met 1,8% punt te verlagen naar 29,2%. De hoop is dat dga’s door de verlaging meer dividend uitkeren, waarmee een deel van de box 3-aanpassingen en de andere aanpassingen gedekt kunnen worden.

Jaar Schijf Belastbaar inkomen box 2 Tarief
2026 1  tot € 68.843  24,50%
   2  vanaf € 68.843  31,00%
 2027  1  tot € 69.607  24,50%
   2  vanaf € 69.607  29,20%

 

Tip! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.

Bedrag excessief lenen in vijf jaar naar € 100.000

Een ander dekkingsvoorstel is het verlagen van de € 500.000 grens in excessief lenen bij de eigen bv naar € 100.000. Dit gebeurt in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 is de grens dan € 420.000. Eind 2031 zal de grens € 100.000 zijn.

Let op! De uitzondering die nu al geldt voor eigenwoningschulden bij de bv blijft bestaan. Deze schulden tellen dus ook vanaf 2027 niet mee.

Aanpassing in box 1

Het kabinet wil werken meer laten lonen. Dit wil het kabinet niet langer doen door een verdere verhoging van de arbeidskorting. De arbeidskorting wordt daarom met € 133 verhoogd in plaats van € 173. Het kabinet verhoogt wel de grens waarboven het tarief van 49,5% geldt. In plaats van een inkomen vanaf € 78.426 begint het toptarief van 49,5% in 2027 vanaf € 80.578. Door deze verhoging wordt ook de algemene heffingskorting langzamer afgebouwd.

Hervorming WW en WIA uit de begroting

De eerder voorgenomen hervormingen op de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaan niet door. Het kabinet wil met werkgevers en werknemers komen tot een sociaal akkoord met daarin de benodigde hervormingen. Het van de begroting halen van de hervormingen betekent dat dit ten laste gaat van de begrotingen van alle ministeries, met uitzondering van Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.

Let op! De aanpassingen in box 1, 2 en 3 worden opgenomen in een novelle. Deze novelle moet vóór 31 december 2026 door de Tweede én Eerste Kamer zijn aangenomen. Zoals het kabinet zelf al aangeeft is dat een ambitieus tijdpad. Het is nog afwachten of dat ook gehaald wordt.

Nog geen duidelijkheid over box 3 vanaf 2028

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.

Eerste Kamer

In de Eerste Kamer zou waarschijnlijk geen meerderheid voor het wetsvoorstel komen. Eind februari 2026 liet de Minister van Financiën al weten het wetsvoorstel daarom aan te willen passen. Op Prinsjesdag 2026 zouden de aanpassing in een novelle op het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Om die reden heeft de Eerste Kamer stemming over het wetsvoorstel tot nader orde uitgesteld.

Kamerbrief

Het is het kabinet niet gelukt om tot een voorstel tot aanpassing te komen dat kan rekenen op een breed draagvlak in het parlement. Op Prinsjesdag 2026 verscheen daarom geen novelle maar een Kamerbrief waarin het kabinet aangeeft in gesprek te willen met de Tweede en Eerste Kamer over het vervolg.

Let op! De Eerste Kamer werd in de Kamerbrief ook gevraagd om het wetsvoorstel voorlopig niet verder in behandeling te nemen. De Eerste Kamer heeft de minister en staatssecretaris uitgenodigd voor een gesprek op 5 oktober en beslist daarna of ze aan het verzoek tegemoet komen.

 

Scenario’s

In de Kamerbrief geeft het kabinet vier scenario’s, waarbij als vertrekpunt voor alle scenario’s geldt: invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.

  1. Scenario 1: nog geen verdere doorontwikkeling richting een volledige vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 maar wel al uiteenlopende verbeteringen aan het wetsvoorstel. Denk daarbij aan achterwaartse verliesverrekening, bepaalde wijzigingen om de belastingdruk box 3 te verlagen en verbeteringen in het wetsvoorstel bij huwen en scheiden.
  2. Scenario 2: invoeren van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 met de verbeteringen uit scenario 1 per 2028 en op termijn invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
  3. Scenario 3: intrekken van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en vanaf 2030 invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
  4. Scenario 4: uitbreiden van de vermogenswinstbelasting in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 2028 naar alle financiële instrumenten en vanaf 2030 ook naar alle andere vermogensbestanddelen.

Kamerbrief 29 september 2026

Inmiddels is op 29 september 2026 een Kamerbrief verschenen met voorstellen voor het nieuwe box 3-stelsel. Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups- en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.

 

Let op!Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd. 

De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:

  • Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat in 2027 omlaag naar het niveau van 2020: € 30.846 per belastingplichtige.

  • Het heffingsvrije resultaat in het nieuwe box 3 stelsel bedraagt in 2028 geen € 1.800 zoals eerder voorgesteld, maar € 1.000.

  • Het forfait voor overige bezittingen ̶– dat is alles wat geen banktegoed is, zoals huurinkomsten – gaat in 2027 met 1,5% punt omhoog. In plaats van 6,37% zal dit forfait in 2027 dan dus 7,87% bedragen!

Schenking onder schuldigerkenning en box 3

Schenking onder schuldigerkenning

Een schenking onder schuldigerkenning wordt ook wel een schenking op papier genoemd. De schenker keert het geschonken bedrag dan niet uit, maar blijft dit schuldig.

Om te voorkomen dat de papieren schenking bij de berekening van de erfbelasting alsnog meetelt, is het verstandig om de schenking bij een notaris vast te leggen. Als de ontvanger van de schenker je partner is of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad, dan dien je ook een rente af te spreken en te vergoeden van minimaal 6%. Meestal bedraagt de rente bij een schenking op papier daarom 6%.

Herroepen

In de schenkingsovereenkomst kan zijn opgenomen dat je de schenking kan herroepen.

De Belastingdienst heeft al eerder aangegeven dat het recht op herroepen op zich geen waarde heeft voor box 3. Maar let op, dit kan anders zijn als je van plan bent om te gaan herroepen.

Werkelijke rendement

Wil je box 3 berekenen op basis van je werkelijke rendement, dan is de vraag hoe je dit berekent in het jaar van de schenking en de herroeping. De Belastingdienst heeft aangegeven dat er in beide jaren geen vermogensaanwas is voor de schenker en de ontvanger.

Bij de schenker wordt alleen de betaalde rente als negatief regulier voordeel in aanmerking genomen bij de berekening van het werkelijke rendement. Bij de ontvanger van de schenking wordt alleen de ontvangen rente in aanmerking genomen als regulier voordeel.

Let op! De Belastingdienst vindt in dit geval een rentepercentage van 6% zakelijk. Daarom hoef je bij de berekening van het werkelijke rendement geen zakelijkheidscorrectie toe te passen.

Nominale waarde

De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 normaal gesproken gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. 

Is sprake van een vordering of schuld met een vaste rente, zoals bij een schenking onder schuldigerkenning? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd hoger of lager is dan de vaste rente van in dit geval 6%.

De Belastingdienst heeft echter goedgekeurd dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van deze waarde in het economische verkeer. Deze goedkeuring geldt echter alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Doe je dat niet, dan moet je de contante waarde berekenen. In dat geval zal er in het jaar van schenken en/of herroepen mogelijk toch sprake kunnen zijn van vermogensaanwas. 

Let op! Deze goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028, maar het is nog de vraag of deze datum gehaald wordt.

Prinsjesdag 2026: Tien belangrijke fiscale wijzigingen voor ondernemers

Let op! Niet alle punten die hieronder worden genoemd, komen uit het Belastingplan 2027. Enkele wijzigingen waren al eerder besloten, maar daar zijn aanpassingen op gedaan.

1. Minder fiscale voordelen voor ondernemers

Vanaf 2027 versobert het kabinet verschillende fiscale voordelen voor ondernemers. 

De ondernemersaftrek verlaagt de winst waarover een ondernemer inkomstenbelasting betaalt. Voor verschillende onderdelen van deze aftrek geldt vanaf 2027 een verdere versobering.

  • De zelfstandigenaftrek daalt van € 1.200 (2026) naar € 900. Daardoor stijgt de belastbare winst van ondernemers die aan het urencriterium voldoen.
  • Ook de startersaftrek gaat flink omlaag. Deze verhoging van de zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers daalt per 1 januari 2027 van € 2.123 (2026) naar € 10 en wordt per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. 
  • De startersaftrek blijft in 2027 en 2028 nog bestaan, maar wordt per 1 januari 2029 afgeschaft. De huidige maximumbedragen zijn € 12.000 in het eerste jaar, € 8.000 in het tweede jaar en € 4.000 in het derde jaar. 

Let op! Deze regeling geldt voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur én recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. 

  • De stakingsaftrek daalt in één keer van maximaal € 3.630 naar € 908. 
  • De percentages van de meewerkaftrek worden verlaagd van 1,25%, 2%, 3% en 4% naar respectievelijk 0,32%, 0,5%, 0,75% en 1%.

De stakingsaftrek en de meerwerkaftrek verdwijnen aan het begin van het derde kalenderjaar na het jaar waarin de verlaging ingaat. Bij inwerkingtreding per 2027 vervallen de regelingen dus per 1 januari 2030.

Per 1 januari 2028 vervalt nog een ander fiscaal voordeel voor ondernemers: de willekeurige afschrijving voor starters.

Vooral startende ondernemers, ondernemers die binnen enkele jaren willen stoppen en ondernemers met een meewerkende partner merken de gevolgen. De keuze voor een eenmanszaak, vof of bv vraagt daardoor opnieuw om een berekening op basis van de concrete winst en de persoonlijke situatie.

Let op! Laat bij grotere veranderingen in je winst, samenwerking of bedrijfsopvolging opnieuw berekenen welke rechtsvorm bij jouw onderneming past.

Tip! Door het hogere verzamelinkomen kunnen ook toeslagen veranderen. Controleer daarom voor 2027 en 2028 tijdig je geschatte inkomen voor de toeslagen.

2. Meer ruimte voor reiskosten, versobering van de WKR

Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 maximaal € 0,25 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dat was € 0,23. De verhoging geldt ook voor woon-werkverkeer. Het kabinet legt deze verhoging nu met terugwerkende kracht vast in de wet.

Let op! De verhoging betekent niet automatisch dat iedere werknemer recht heeft op € 0,25 per kilometer. Dat hangt af van de arbeidsovereenkomst, cao en het eigen mobiliteitsbeleid. Voor werkgevers kan een hogere vergoeding leiden tot hogere loonkosten.

Tegenover deze verruiming staat ook een versobering van de werkkostenregeling (WKR). De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten vervalt. Werkgevers mochten werknemers tot nu toe onbelast 20% personeelskorting geven over de waarde van het product in het economisch verkeer, tot een bedrag van maximaal € 500 per jaar. Deze vrijstelling verdwijnt. De korting kan vanaf 2027 nog wel ten laste van de vrije ruimte worden gebracht. Overschrijd je de vrije ruimte? Dan betaal je over het bedrag daarboven 80% eindheffing. 

De vrije ruimte over de eerste € 400.000 fiscale loonsom stijgt per 1 januari 2027 van 2% naar 2,16%. Daardoor krijg je maximaal € 640 extra vrije ruimte per jaar. Deze verhoging is al eerder aangenomen en maakt dus geen onderdeel uit van het Belastingplan 2027.

Tip! Pas het personeelshandboek, declaratiebeleid en de salarisadministratie tijdig aan en beoordeel of een hogere kilometervergoeding financieel en arbeidsvoorwaardelijk wenselijk is. Maakt je organisatie gebruik van personeelskorting op branche-eigen producten? Bekijk dan wat het vervallen van deze vrijstelling betekent. Dit zal zich vooral voordoen in de detailhandel en industrie.

3. Fossiel rijden duurder, grens youngtimerregeling naar 20 jaar

Stel je als werkgever vanaf 2027 een personenauto met uitstoot ook voor privégebruik beschikbaar aan een werknemer? Dan krijg je te maken met een pseudo-eindheffing van 12% van de cataloguswaarde. Deze heffing komt naast de bijtelling van de werknemer en mag je niet doorberekenen aan de werknemer. Voor auto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht.

De pseudo-eindheffing is vorig jaar al aangenomen, maar na overleg worden vier aanpassingen voorgesteld. 

  • Zo geldt de heffing niet voor vervangend vervoer tijdens de eerste veertien kalenderdagen van onderhoud of reparatie. 
  • Ook handgeschakelde lesauto’s worden uitgezonderd. 
  • Tot 31 december 2030 geldt ook een uitzondering voor een fossiele personenauto die een werkgever maximaal één keer per kalenderjaar voor maximaal zeven aaneengesloten dagen voor privédoeleinden ter beschikking stelt. Bijvoorbeeld bij een kortdurend gehuurde auto of deelauto. 
  • Als laatste wordt het overgangsrecht voor fossiele personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, verlengd tot en met 31 december 2030. 

De youngtimerregeling wordt geleidelijker versoberd dan eerder was vastgelegd, en ook minder vergaand. De bijtelling blijft gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer, maar de leeftijdsgrens stijgt in 2027 van 16 jaar naar 17 jaar en vanaf 2028 naar 20 jaar. De eerder voorziene snelle verhoging naar 25 jaar per 2027 gaat daarmee niet door. Voor auto’s die uiterlijk op 31 december 2025 al ter beschikking zijn gesteld en die in 2027 17 jaar worden, geldt overgangsrecht. Deze auto’s mogen de youngtimerregeling gedurende heel 2027 blijven toepassen. Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling alleen nog voor auto’s ouder dan 20 jaar.

Voor werkgevers wordt de keuze voor een zakelijke auto met name door de pseudo-eindheffing belangrijker. De contractduur, aandrijving en het moment waarop een auto voor het eerst ter beschikking wordt gesteld, kunnen grote fiscale gevolgen hebben. Een bestaande leaseplanning kan daardoor veel duurder of juist aantrekkelijker uitpakken.

Tip! Breng vóór nieuwe leasebeslissingen de totale werkgeverskosten, werknemersbijtelling, looptijd en fiscale overgangsregels goed in kaart.

4. Minder inflatiecorrectie verhoogt belastingdruk in box 1

Normaal gesproken stijgen de grenzen van de belastingschijven en verschillende heffingskortingen in box 1 mee met de inflatie. Zo blijft de belastingdruk normaal gesproken gelijk als het inkomen stijgt, in lijn met de inflatie.

In 2027 en 2028 past het kabinet de inflatiecorrectie slechts gedeeltelijk toe. Zonder deze maatregel zou de inflatiecorrectie voor 2027 2,6% bedragen. Daarvan wordt 48% toegepast. Hierdoor stijgen schijfgrenzen en heffingskortingen minder mee met de inflatie. De 48% wordt overigens niet toegepast op de tweede schijfgrens, deze blijft daarom in 2027 gelijk aan 2026. De eerste schijfgrens stijgt van € 38.883 naar € 39.247. De tweede schijfgrens blijft € 78.426.

Tegelijkertijd wijzigen de box 1-tarieven. Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt het tarief in de eerste schijf met 0,48%: van 35,75% in 2026 naar 36,23% in 2027. Het tarief in de tweede schijf stijgt met 0,60%: van 37,56% naar 38,16%. Het tarief in de derde schijf blijft 49,50%. 

Door de verhoging van de tarieven en beperkte indexering stijgt de belastingdruk in box 1. Dit effect wordt beperkt voor woningbezitters die de hypotheekrente ook tegen het hogere tarief van maximaal 38,16% kunnen aftrekken. 

Let op! Beoordeel je loon, dividend en winst altijd in samenhang. De belastingdruk kan namelijk onverwacht hoger zijn, omdat de algemene heffingskorting afhangt van het verzamelinkomen. Deze kan dus ook door een dividenduitkering dalen.

5. Uitstel box 3

Box 3 belast privévermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. In het huidige stelsel berekent de Belastingdienst het rendement grotendeels met forfaits. Is je werkelijke rendement lager, dan kun je onder voorwaarden tegenbewijs leveren.

Het kabinet heeft de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig uitgesteld. In de Voorjaarsnota 2027 komt het kabinet met een nieuw voorstel. Daardoor wordt de beoogde invoering per 1 januari 2028 niet gehaald of blijft deze datum op zijn minst onzeker. Het kabinet onderzoekt opnieuw of een vermogenswinstbelasting beter past dan een vermogensaanwasbelasting.

Bij een vermogensaanwasbelasting telt ook een nog niet gerealiseerde waardestijging jaarlijks mee. Bij een vermogenswinstbelasting volgt heffing pas bij bijvoorbeeld verkoop. Voor ondernemers en dga’s met beleggingen, verhuurd vastgoed of andere moeilijk verkoopbare bezittingen maakt dat een groot verschil.

Let op! Zolang er geen nieuw stelsel geldt, blijft een goede administratie van rente, dividend, huur, kosten en waardeveranderingen belangrijk. Deze gegevens zijn nodig voor de tegenbewijsregeling én voor de afweging tussen beleggen in privé of via een bv.

Tip! Wacht niet op het nieuwe stelsel. Leg het werkelijke rendement per vermogensbestanddeel jaarlijks vast en bewaar onderliggende documenten.

6. Meer steun voor innovatie en verduurzaming

Het kabinet maakt verschillende fiscale regelingen voor investeringen en innovatie aantrekkelijker. Zo stijgt de energie-investeringsaftrek per 1 januari 2027 van 40% naar 45,5%. Investeer je in kwalificerende energiezuinige bedrijfsmiddelen? Dan mag je daardoor een groter deel van je investering extra aftrekken van de winst.

Ook de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk wordt verruimd. Het forfaitaire uurloon stijgt van € 29 naar € 33. Deze regeling verlaagt de loonheffing die je als werkgever afdraagt als je medewerkers werken aan technisch nieuwe producten, processen of programmatuur.

Maakt je onderneming gebruik van de innovatiebox? Ook deze regeling wordt aantrekkelijker. Vanaf 1 januari 2027 stijgt het maximale forfaitaire bedrag van € 25.000 naar € 100.000 per jaar. Het forfait blijft maximaal 25% van de winst. Ook de huidige toepassingsduur van drie jaar verandert niet. Hierdoor kun je een groter deel van de winst tegen het lagere innovatiebox-tarief laten belasten.

Tip! Wil je gebruikmaken van de energie-investeringsaftrek? Controleer vóórdat je verplichtingen aangaat of het bedrijfsmiddel op de energielijst staat. Dien vervolgens je aanvraag in bij RVO binnen de geldende termijn van drie maanden.

7. Fiscale stimulans voor start-ups en scale-ups

Om innovatie en groei van specifieke jonge ondernemingen te stimuleren, introduceert het kabinet een aantrekkelijke fiscale regeling voor aandelenopties van werknemers bij start-ups en scale-ups. In principe betaalt de werknemer de belasting wanneer hij de aandelen die hij uit de opties heeft verkregen, daadwerkelijk verkoopt. Na aftrek van de uitoefenprijs die aan de aandelen is toe te rekenen, wordt onder voorwaarden slechts 65% van het voordeel belast als loon. Verkoopt de werknemer het aandelenoptierecht in plaats van de aandelen? Dan geldt deze lagere grondslag niet. De werknemer kan ook schriftelijk kiezen voor eerdere belastingheffing op het moment van uitoefening van het optierecht of zodra de aandelen verhandelbaar zijn.

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die kwalificeren als start-up of scale-up en een beschikking hebben van RVO. Deze beschikking is vanaf de dagtekening acht jaar geldig. Onder voorwaarden kun je de beschikking steeds met vijf jaar verlengen, tot een totale looptijd van maximaal 23 jaar. Daarnaast geldt in principe een minimale periode van twee jaar tussen de toekenning van het aandelenoptierecht en de verkoop van dit recht of de aandelen die daaruit voortkomen. Verkoopt de werknemer eerder vanwege een verkoop op beursgang van de onderneming? Dan geldt een uitzondering en is de regel wel van toepassing.

De regeling moet op 1 januari 2027 ingaan. De definitieve inwerkingtreding vindt plaats op een tijdstip dat bij koninklijk besluit wordt bepaald. Aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, kunnen mogelijk ook gebruikmaken van de regeling. Daarvoor moeten de aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken en moet aan de overige voorwaarden zijn voldaan. In dat geval moet je onderneming de beschikking uiterlijk op 31 december 2027 bij RVO aanvragen.

Tip! Onderzoek tijdig of je onderneming in aanmerking komt voor een RVO-beschikking. Beoordeel daarnaast of werknemersparticipatie je kan helpen om talent aan te trekken, te belonen en te behouden.

8. Hogere Aof-premie door vrijheidsbijdrage

Ook werkgevers moeten een zogenoemde vrijheidsbijdrage leveren om de stijgende defensie-uitgaven te bekostigen. Het kabinet wil deze lastenverzwaring grotendeels innen via een verhoging van de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Volgens de raming levert deze verhoging in 2027 € 1,5 miljard aan extra premieopbrengsten op. Vanaf 2028 gaat het structureel om € 1,7 miljard per jaar.

De hoge en lage Aof-premiepercentages staan nog niet vast. De premiepercentages worden later bekendgemaakt, tegelijk met de jaarlijkse premiepercentages voor de werknemersverzekeringen. Daardoor is nog niet duidelijk hoeveel je werkgeverslasten precies stijgen. 

Tip! Houd in je personeelsbegroting voor 2027 rekening met hogere werkgeverslasten. Pas je loonkostenberekening aan zodra de hoge en lage Aof-premiepercentages voor 2027 officieel zijn vastgesteld.

9. Overdrachtsbelasting op beleggingswoningen naar 7%

Koop je een woning waarin je niet zelf duurzaam gaat wonen? Dan betaal je overdrachtsbelasting tegen het algemene woningtarief. Dit geldt bijvoorbeeld voor een verhuurde woning of vakantiewoning. Per 1 januari 2027 daalt dit tarief van 8 naar 7%. Het tarief van 2% voor een woning waarin je zelf gaat wonen en de startersvrijstelling blijven ongewijzigd. 

Let op!Voor bedrijfspanden geldt deze verlaging niet. Bij gemengde objecten, transformaties en projectontwikkeling kan discussie ontstaan over welk deel als woning kwalificeert. Het gebruik en de staat van het object op het moment van verkrijging spelen daarbij een belangrijke rol.

Door de tariefsverlaging kan het interessant zijn om opnieuw naar het moment van transactie te kijken. Houd daarbij ook rekening met andere factoren, zoals financiering, rendement, btw en de juridische structuur.

Tip! Laat vóór ondertekening van de koopovereenkomst beoordelen welk tarief voor jouw situatie geldt. Onderzoek daarbij of het zinvol en haalbaar is om de levering bij de notaris uit te stellen tot na 1 januari 2027.

10. Aftrek voor specifieke zorgkosten verdwijnt in 2028

Bepaalde niet-vergoede zorgkosten zijn nu onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Denk aan specifieke geneesmiddelen, hulpmiddelen, dieetkosten, vervoer en extra gezinshulp. De aftrek geldt pas nadat rekening is gehouden met vergoedingen en een inkomensafhankelijke drempel.

Het kabinet schaft de aftrek voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 af. Ook de daaraan gekoppelde regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de TSZ-regeling, verdwijnt. Voor mensen met een chronische ziekte werkt het kabinet aan een gerichte compensatieregeling. Het wetsvoorstel kent geen overgangsrecht. De maatregel raakt vooral mensen met een chronische ziekte, beperking of structureel hoge, niet-vergoede zorgkosten. Ook ondernemers en dga’s kunnen hierdoor privé met hogere nettolasten te maken krijgen. Het financiële effect verschilt sterk, omdat niet iedere zelf betaalde zorguitgave nu aftrekbaar is.

Tip! Breng terugkerende aftrekbare zorgkosten in kaart. Zo wordt zichtbaar welk belastingvoordeel vanaf 2028 mogelijk wegvalt en in hoeverre een toekomstige compensatieregeling daarin voorziet.

Pas op met herroepen schenking van aandelen

Herroeping

De Belastingdienst heeft zich uitgesproken over een casus waarin iemand alle aandelen in een bv schonk aan een ander. In de schenkingsakte was een mogelijkheid opgenomen om deze schenking te herroepen. De schenker maakte gebruik van dit herroepingsrecht waardoor de aandelen weer terugkeerden in zijn vermogen.

Afrekening in box 2

De Belastingdienst heeft aangegeven dat in deze situatie bij de ontvanger van de schenking een afrekening plaatsvindt in box 2. De Belastingdienst vindt namelijk dat in zo’n geval een (fictieve) vervreemding van de aandelen plaatsvindt.

De waarde waartegen de vervreemding plaatsvindt is de waarde in het economische verkeer op het moment van de herroeping. De verkrijgingsprijs van de aandelen voor de ontvanger van de schenking is de waarde in het economische verkeer op het moment van schenking.

In een voorbeeld

Stel dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van schenking € 1.500.000 is. Als de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van herroeping € 2.000.000 is, wordt bij de ontvanger van de schenking een vervreemdingsvoordeel in box 2 in aanmerking genomen van € 500.000. De ontvanger betaalt hierover tot 31% belasting!

Let op! In dit vereenvoudigde voorbeeld van de werkelijkheid is geen rekening gehouden met eventuele uitgekeerde dividenden en eventuele gevolgen van de herroeping hiervoor.

Compensatie?

De (fictieve) vervreemding van de aandelen bij een herroeping van de schenking, kan zuur uitpakken voor de ontvanger van de schenking. Die wordt immers geconfronteerd met een afrekening in box 2, zonder dat hij/zij daar enige invloed op heeft of zelf inkomsten van heeft ontvangen.

Bij het schenken van de aandelen zou in de schenkingsovereenkomst wellicht een verplichting tot compensatie van de ontvanger van de schenking opgenomen moeten worden. Dit in verband met de kennis dat de Belastingdienst een belastbaar feit in aanmerking zal willen nemen bij herroeping van een schenking van box 2 aandelen.

Let op! De schenker profiteert ook van de afrekening die bij de ontvanger van de schenker plaatsvindt in box 2. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt voor de schenker namelijk verhoogd. In het voorbeeld dus naar € 2.000.000.

Tegengeluid?

In de literatuur is overigens niet iedereen het eens met het standpunt van de Belastingdienst. Zo zijn er geluiden dat in deze situatie geen vervreemdingsvoordeel bij de ontvanger van de schenking in aanmerking zou moeten komen. Bij de schenker zou dan zijn oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen weer moeten herleven. Er zijn echter ook geluiden die het standpunt van de Belastingdienst onderschrijven.

Let op! De Hoge Raad moet zich nog over een dergelijke situatie uitspreken. 

Tot wanneer is wijziging verdeling inkomen en aftrekposten tussen partners mogelijk?

Verdeling inkomen en aftrek

Inkomens- en aftrekposten die je onderling mag verdelen zijn:

  • het saldo van het eigenwoningforfait en aftrekposten van de eigen woning (bijvoorbeeld de hypotheekrente),
  • de aftrek vanwege geen of een kleine eigenwoningschuld,
  • het inkomen in box 2 (aanmerkelijk belang) en ingehouden dividendbelasting,
  • het inkomen in box 3,
  • de persoonsgebonden aftrekposten, dat zijn:
  • de betaalde partneralimentatie en andere onderhoudsverplichtingen,
  • de aftrek ziektekosten,
  • de uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapte kinderen, broers of zussen, en
  • de aftrekbare giften
  • het restant persoonsgebonden aftrek over vorige jaren.

Let op! In je aangifte kun je voor de verdeling kiezen die voor jullie het gunstigst is.

Tot wanneer wijzigen verdeling?

De wijziging van de verdeling tussen partners kan nog plaatsvinden zolang de aanslagen van de belastingplichtige en zijn partner nog niet onherroepelijk vaststaan. Als je geen bezwaar maakt tegen de definitieve aanslag, staat deze zes weken na de dagtekening onherroepelijk vast. De aanslag staat nog niet onherroepelijk vast, als je tijdig bezwaar of beroep hebt ingesteld en dit nog loopt of er nog geen zes weken verstreken zijn na de uitspraak op bezwaar/beroep.

Let op! Procedeer je door tot aan de Hoge Raad, dan staat je definitieve aanslag na de uitspraak van de Hoge Raad meteen onherroepelijk vast. In dit geval geldt een uitzondering en kunt je daarna nog binnen zes weken verzoeken om wijziging van de verdeling.

Ook wijziging verdeling bij navordering

In geval van een navorderingsaanslag vond de Belastingdienst tot voor kort dat wijziging van de verdeling alleen betrekking kon hebben op inkomen en/of aftrekposten die waren nagevorderd. Alle andere onderdelen uit de al onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen IB konden volgens de Belastingdienst niet opnieuw worden verdeeld. De Hoge Raad was het hier niet mee eens en oordeelde dat de wijziging van de verdeling niet beperkt is tot de inkomensbestanddelen waarop de navordering betrekking heeft.

Geen wijziging verdeling vanwege toeslagen of bij verrekenbare verliezen

In twee andere uitspraken is beslist dat de beperking van de verdeling tot het moment van onherroepelijk vaststaan van de definitieve aanslagen, niet anders wordt vanwege gemiste toeslagen of verliesverrekening. 

Het ging hierbij in een zaak voor rechtbank Gelderland om toeslagen waarop geen recht bestond, omdat te veel vermogen was toegerekend aan een partner. Daardoor werd de vermogensgrens voor de toeslagen overschreden. Dat dit voor de belastingplichtige pas duidelijk werd na vaststelling van het bedrag aan toeslagen, maakte niet dat alsnog verzocht kon worden om een andere verdeling.

In de andere zaak besliste de Hoge Raad dat het verloren gaan van heffingskortingen nadat achterwaartse verliesverrekening was toegepast, eveneens geen reden was de termijn waarbinnen opnieuw verdeeld kan worden te verlengen.

Uitzondering na uitspraak massaalbezwaarprocedure kerstarrest

De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat je nog opnieuw kunt verdelen na de collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure van het kerstarrest.

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. 

De Hoge Raad oordeelde dat in zo’n situatie nog wel gekozen kan worden voor een andere verdeling van het box 3-inkomen als dat verzoek gedaan wordt binnen zes weken na de beschikking van de Belastingdienst met de nieuwe berekeningen.

 

Advieswijzer Aanschaf van een vakantiewoning

Met welke belastingen je te maken krijgt bij de aankoop van een vakantiewoning, is afhankelijk van je (persoonlijke) omstandigheden en de wijze van gebruik van de vakantiewoning. Deze advieswijzer bevat algemene informatie en kan niet zonder meer uitsluitsel geven over jouw specifieke situatie.

Let op! Houd bij de aanschaf van een vakantiewoning rekening met het feit dat de heffing in box 3 over je vermogen, waaronder een vakantiewoning, is veranderd en in de toekomst (hoogstwaarschijnlijk vanaf 2028) weer verandert. Gezien deze (toekomstige) wijzigingen in box 3 en de verhoging van het btw-tarief op de verhuur van de vakantiewoning van 9 naar 21% vanaf 2026, is het van belang dat je je extra goed laat informeren.

Omzetbelasting

Omzetbelasting bij aankoop

Koop je een nieuwe – nog niet eerder gebruikte – vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden. Koop je een vakantiewoning die al meer dan twee jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, dan zal hierover geen btw berekend worden. Op verzoek van zowel koper als verkoper kan in een dergelijk geval toch btw berekend worden als je de vakantiewoning voor 90% of meer gaat gebruiken voor met btw belaste activiteiten. De keuze om toch btw te berekenen, kun je vastleggen in de notariële akte van levering.

Let op! De hiervoor beschreven gevolgen voor de btw gelden als de vakantiewoning als ‘onroerend’ wordt aangemerkt. De vakantiewoning is onroerend als deze duurzaam met de grond verenigd is of in ieder geval naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. In sommige situaties zal een vakantiewoning roerend zijn en kunnen andere gevolgen voor de btw gelden.

De btw die bij de aankoop berekend wordt, kun je in sommige gevallen terugvragen bij de Belastingdienst. Dit is afhankelijk van de wijze van gebruik van de vakantiewoning: koop je de vakantiewoning alleen voor eigen gebruik of verhuur je deze ook (gedeeltelijk)?

Eigen gebruik vakantiewoning

Als je de vakantiewoning alleen zelf gebruikt en niet verhuurt aan anderen, kun je de btw die bij de aankoop berekend is niet terugvragen bij de Belastingdienst.

Verhuur vakantiewoning

Verhuur je de vakantiewoning aan anderen, dan kun je mogelijk de btw die bij de aankoop berekend is wel (gedeeltelijk) terugvragen bij de Belastingdienst. De verhuur van de vakantiewoning moet dan zodanig zijn dat sprake is van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. De vraag is wanneer hiervan sprake is. Die vraag is niet in alle gevallen eenvoudig te beantwoorden en afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Van belang daarbij is met name of de verhuur van de vakantiewoning erop gericht is om duurzaam opbrengst hieruit te krijgen. Daarvan zal bij een incidentele verhuur van de vakantiewoning geen sprake zijn. Vraag daarbij is uiteraard wanneer de verhuur incidenteel is. Daar zijn helaas geen harde cijfers voor beschikbaar.

Let op! Twijfel je of je wel of niet btw-ondernemer bent voor de verhuur van je vakantiewoning? Je kunt door middel van een verzoek tot vooroverleg de Belastingdienst vragen een standpunt hierover in te nemen. Verschil je van mening, dan kun je de zaak altijd voorleggen aan de belastingrechter door in beroep te gaan tegen de beslissing van de Belastingdienst over al dan niet in rekening gebrachte btw.

Of je de btw geheel dan wel gedeeltelijk terug kunt vragen, is afhankelijk van je eigen gebruik van de vakantiewoning. Gebruik je de vakantiewoning zelf niet, maar wordt deze alleen verhuurd, dan kun je de volledige btw over de aankoop terugvragen. Gebruik je de vakantiewoning ook voor eigen gebruik, dan kun je slechts het deel dat betrekking heeft op de verhuur terugvragen.

Voorbeeld
Je koopt in 2026 een vakantiewoning voor € 121.000 (inclusief btw). De vakantiewoning wordt in 2026 voor 70% verhuurd en voor 30% door jezelf gebruikt. Van de btw bij aankoop (€ 21.000) kun je dan in 2026 € 14.700 (70%) terugvragen bij de Belastingdienst.

Let op! Om btw te kunnen terugvragen, dien je je als ondernemer voor de omzetbelasting aan te melden bij de Belastingdienst. Inschrijven als ondernemer bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel is niet nodig.

Als de Belastingdienst van mening is dat je voor de verhuur van de vakantiewoning ondernemer bent voor de btw en je dus btw kunt terugvragen, dien je in 2026 21% btw over de huur te berekenen en af te dragen aan de Belastingdienst. Dit lijkt financieel nadelig, maar hier staat tegenover dat je de btw bij aankoop, en ook de btw met betrekking tot de bij je in rekening gebrachte kosten voor de vakantiewoning, in aftrek kunt brengen (na toepassing van een correctie voor het eigen gebruik van de vakantiewoning).

Vervolg voorbeeld
In 2026 ontvang je € 6.050 (inclusief 21% btw) uit de verhuur van de vakantiewoning. Je betaalt € 1.210 (inclusief 21% btw) aan kosten voor de vakantiewoning. In 2026 draag je € 1.050  btw af. Van de € 210 btw over de kosten die je hebt gemaakt, kun je 70% (€ 147) terugvragen, omdat de woning voor 70% wordt verhuurd. Per saldo bedraagt jouw teruggaaf in 2026 € 13.797  (€ 14.700 btw + € 147 btw – € 1.050  btw).

KOR

Moet je in een jaar per saldo btw betalen, dan kun je mogelijk gebruikmaken van de kleineondernemersregeling (de KOR).

De KOR betekent dat je tot een omzet van € 20.000 kunt kiezen om geen btw in rekening te brengen. In dat geval kun je ook geen btw terugvragen.

Als je de KOR wil toepassen, dien je dit uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het aangiftetijdvak waarin je de KOR wil laten ingaan te melden bij de Belastingdienst.

Let op! Als je in een jaar tussentijds de omzetgrens van € 20.000 per jaar bereikt, geldt de KOR vanaf dat moment niet meer. Je moet je dan afmelden voor de KOR. Afmelden kan overigens ook vrijwillig zonder dat de omzetgrens van € 20.000 per jaar wordt overschreden. Is jouw deelname aan de KOR beëindigd en wil je opnieuw deelnemen, houd dan rekening met een periode waarin je niet kunt deelnemen aan de KOR. Dit is de rest van het kalenderjaar waarin je je hebt afgemeld én het kalenderjaar daarop.

Let op! Je moet wellicht een deel van de afgetrokken btw op de vakantiewoning terugbetalen als je er in 2026 voor kiest om deel te nemen aan de KOR. Dit is het geval als er na het jaar van aankoop van de vakantiewoning minder dan negen jaar zijn verstreken. Neem dit mee bij jouw keuze of neem hierover contact met ons op.

Wanneer je een jaaromzet van maximaal € 2.200 hebt, dan kun je de KOR voor de btw toepassen zonder dit te melden bij de Belastingdienst. Heb je je echter al eerder aangemeld als btw-ondernemer bij de Belastingdienst, dan kun je niet gebruikmaken van deze regel. Je moet je dan alsnog aanmelden voor de KOR bij de Belastingdienst als je de KOR wilt toepassen.

Ontvangen of terugbetalen aankoop-btw bij gewijzigd gebruik of verkoop

Als het eigen gebruik van de vakantiewoning wijzigt, wordt de btw die je in aftrek hebt gebracht herzien. Wordt het eigen gebruik groter, dan zul je mogelijk btw terug moeten betalen. Daalt het eigen gebruik, dan krijg je mogelijk (extra) btw terug. Deze herziening moet je gedurende de negen jaar volgend op het jaar van ingebruikneming jaarlijks uitvoeren. De herziening vindt plaats op 1/10 deel van de aankoop-btw. Herziening blijft achterwege als deze minder dan 10% bedraagt van de aan het jaar toe te rekenen reeds in aftrek gebrachte btw.

Voorbeeld
In 2027 wordt de vakantiewoning voor 60% verhuurd en voor 40% door jezelf gebruikt. Je moet een herziening toepassen op 1/10 van € 21.000 = € 2.100. Van deze € 2.100 heb je 70% (= € 1.470) terugontvangen. In 2027 heb je echter maar recht op 60% (= € 1.260). Het verschil bedraagt € 210. Dit is hoger dan 10% van de aan 2027 toe te rekenen al in aftrek gebrachte btw (10% van € 1.470 = € 147). De herziening blijft daarom niet achterwege en je moet in 2027 € 210 aan btw terugbetalen.

Let op! Als je de aankoop-btw hebt teruggevraagd, wordt jouw vakantiewoning in het jaar van aankoop en de negen jaren daaropvolgend voor de btw dus gevolgd. Herziening van btw vindt niet alleen plaats bij wijziging in het gebruik zoals in het voorbeeld hiervoor, maar ook als je bijvoorbeeld de woning alleen nog maar zelf gebruikt (en dus niet meer verhuurt) of als je de woning verkoopt zonder btw. In de laatste twee gevallen zul je de volledige btw over de nog resterende jaren in één keer moeten terugbetalen.

Voorbeeld
Op 1 januari 2028 verkoop je de vakantiewoning aan een particulier, die deze gaat gebruiken voor eigen gebruik. Volgens de wettelijke regels kun je geen btw berekenen over deze verkoop. Heb je de vakantiewoning in 2022 gekocht, dan moet je de in 2022 in aftrek gebrachte btw over de nog resterende periode herzien. Op 1 januari 2028 zijn vijf van de negen herzieningsjaren verlopen. Dit betekent dat je nog voor vier jaren 1/10 van € 14.700 moet terugbetalen aan de Belastingdienst, tezamen € 5.880 (= viermaal € 1.470).

Tip! Verkoop je de vakantiewoning uit het voorbeeld na 31 december 2031, dan heeft dit geen gevolgen meer voor de in 2022 in aftrek gebrachte btw bij aankoop.

Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden waardoor je de btw die je bij aankoop hebt teruggekregen niet hoeft terug te betalen. Gaat de koper de woning bijvoorbeeld voor meer dan 90% voor met btw belaste activiteiten gebruiken, dan kun je mogelijk op verzoek de vakantiewoning toch met btw verkopen. Het voordeel hiervan is dat je dan niet de aankoop-btw hoeft te herzien. Ook bij verkoop binnen twee jaar na de eerste ingebruikname van de vakantiewoning wordt de verkoop met btw belast en treedt hetzelfde effect op. Zet de koper van jouw vakantiewoning jouw activiteiten van verhuur ongewijzigd voort, dan is het misschien zelfs mogelijk om de woning zonder btw te verkopen en hetzelfde effect te bereiken. Hiervoor moet de verkoop van de woning kunnen worden aangemerkt als overdracht van een algemeenheid van goederen.

Tip!  De verkoop van je vakantiewoning kan diverse btw-gevolgen hebben. Laat je daarom, voordat tot verkoop wordt overgegaan, altijd eerst adviseren.

Ontvangen of terugbetalen btw diensten bij gewijzigd gebruik of verkoop

Vanaf 2026 geldt ook een btw-herzieningsregeling voor diensten aan onroerende zaken van minimaal € 30.000 (exclusief btw). Herziening kan bij gewijzigd gebruik of verkoop aan de orde zijn in het jaar van ingebruikname van de dienst en in de vier daaropvolgende jaren.

De btw-herzieningsregeling geldt alleen voor diensten die de vakantiewoning meerjarig dienen (investeringsdiensten). Denk hierbij aan het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van de vakantiewoning, maar ook aan met een verbouwing samenhangende sloopwerkzaamheden.

Ook materialen, installaties, machines en werktuigen die opgaan in dienst en na installatie of montage hun zelfstandigheid verliezen, worden gezien als onderdeel van de investeringsdienst.

Alleen investeringsdiensten van minimaal € 30.000 (excl. btw) worden geraakt door de btw-herzieningsregeling voor diensten. De grens van € 30.000 geldt per dienst. Als bijvoorbeeld een schilder voor € 25.000 (excl. btw) de buitenkozijnen en deuren van de vakantiewoning schildert en een elektricien voor € 10.000 (excl. btw) werkzaamheden aan de binnenkant van de vakantiewoning verricht, is de btw-herzieningsregeling niet van toepassing. Beide diensten blijven immers onder de € 30.000.

Box 3-heffing nu

De vakantiewoning zal over het algemeen onderdeel zijn van jouw vermogen in box 3. 

Let op!  Als de exploitatie van je vakantiewoning dusdanige vormen aanneemt dat deze het normale actieve vermogensbeheer te buiten gaat, wordt de vakantiewoning niet belast in box 3, maar worden de inkomsten belast in box 1. Neem voor de beoordeling van jouw situatie contact op met onze adviseurs.

Hoeveel belasting je over jouw vakantiewoning in box 3 in 2026verschuldigd bent, is afhankelijk van de samenstelling van je totale vermogen. Bovendien is dit afhankelijk van de vraag of je werkelijke rendement lager is dan het berekende wettelijke rendement. In dat geval kun je namelijk een beroep doen op de tegenbewijsregeling box 3. Heel kort samengevat:

  • Onder het huidige wettelijke systeem vormt de vakantiewoning een ‘overige bezitting’. Het wettelijke rendement over deze vakantiewoning bedraagt in 2026 6,00  % van de WOZ-waarde. Voor schulden geldt hierbij een negatief wettelijk rendement van voorlopig 2,70 % van de schulden. Het definitieve wettelijke percentage hiervoor wordt begin 2027 vastgesteld. Je betaalt in 2026 een tarief van 36% over het totale berekende wettelijke rendement van jouw gehele vermogen, waarbij je nog rekening kunt houden met een heffingsvrij vermogen van in 2026 € 59.357 per belastingplichtige.
  • Is je werkelijke rendement op je gehele vermogen lager dan het totale berekende wettelijke rendement? Dan kun je een beroep doen op de tegenbewijsregeling box 3. In dat geval betaal je in 2026 een tarief van 36% over je werkelijke rendement. Houd er rekening mee dat wat jij waarschijnlijk verstaat onder  werkelijke rendement iets anders is dan waar de tegenbewijsregeling box 3 van uitgaat. Zo omvat bijvoorbeeld het werkelijke rendement over jouw vakantiewoning niet alleen de ontvangen huur, maar ook de waardeverandering van de vakantiewoning. Kosten mag je daarop voor de berekening van het werkelijke rendement bovendien niet in aftrek brengen, met uitzondering van betaalde rente op schulden. Voor de berekening van het werkelijke rendement hoefde in 2025 nog geen rekening gehouden te worden met een voordeel vanwege eigen gebruik van de vakantiewoning. Vanaf 2026 is dat anders: als werkelijk rendement van eigen gebruik van de vakantiewoning moet de economische huurwaarde worden aangehouden.

Let op! De berekening van de box 3-gevolgen van een vakantiewoning is mede afhankelijk van de samenstelling van je andere vermogen. Ook de berekening van het werkelijke rendement voor de tegenbewijsregeling box 3 is hiervan afhankelijk en bovendien complex. Hoe het een en ander uitpakt, is voor elke belastingplichtige en elke situatie weer anders. Neem voor een advies over jouw situatie daarom contact op met onze adviseurs.

Box 3-heffing vanaf hoogstwaarschijnlijk 2028

Het plan is om vanaf hoogstwaarschijnlijk 2028 een box 3-heffing in te voeren op basis van werkelijk rendement. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. Er zijn echter nog wijzigingen voorzien. Die zijn opgenomen in een op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden novelle op het wetsvoorstel. De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten.

Het werkelijke rendement in het wetsvoorstel wordt anders berekend dan onder de tegenbewijsregeling box 3. Zo is vanaf 2028 waarschijnlijk wel plek voor aftrek van kosten. Voor de vakantiewoning betekent het wetsvoorstel waarschijnlijk grofweg het volgende:

  1. Wordt de vakantiewoning voor minimaal 328 dagen (in een schrikkeljaar 329 dagen) per kalenderjaar verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement de huurinkomsten, verminderd met de jaarlijkse onderhoudskosten en andere periodieke kosten.
  2. Wordt de vakantiewoning het hele kalenderjaar niet verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement een vastgoedbijtelling van 3,35% over de WOZ-waarde, verminderd met de jaarlijkse onderhoudskosten en andere periodieke kosten.
  3. Wordt de vakantiewoning voor minder dan 328 dagen (in een schrikkeljaar 329 dagen) per kalenderjaar verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement het hoogste bedrag van de berekening onder punt 1 of 2.

Bij verkoop van de vakantiewoning wordt de vermogenswinst ook tot het werkelijke rendement gerekend.

Let op! Het wetsvoorstel is dus nog niet definitief.

Overdrachtsbelasting

Bij verkoop van een onroerende zaak is overdrachtsbelasting verschuldigd. Koop je een nieuwe, nog niet eerder gebruikte vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden en geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Dat is mogelijk ook het geval als de woning binnen twee jaar na ingebruikname wordt verkocht. In alle overige gevallen is in 2026  8% overdrachtsbelasting verschuldigd. Dit tarief bedraagt vanaf 2027 7%.

Tip! Koop je een vakantiewoning inclusief inventaris, dan wordt over het aandeel van de inventaris in de koopsom geen overdrachtsbelasting berekend.

Let op! Het tarief van 2% overdrachtsbelasting geldt alleen voor de woning waarin je zélf voor langere tijd gaat wonen en dus niet voor een tweede woning.

Vrijstelling voor jongeren reguliere woning

Voor jongeren tussen 18 en 35 jaar die zélf voor langere tijd in een woning gaan wonen, geldt in 2026 – onder voorwaarden – een vrijstelling voor woningen met een waarde t/m €  555.000. Maar ook dan moet de woning als hoofdverblijf gaan dienen. De vrijstelling geldt dus niet voor een vakantiewoning.

Onroerendezaakbelasting (ozb)

Voor de heffing van de onroerendezaakbelasting (ozb) is bij vakantiewoningen de vraag van belang of ze ook als woning kunnen worden aangemerkt. De rechter heeft beslist dat niet van belang is of een vakantiewoning al dan niet permanent bewoond mag worden en als dit niet is toegestaan, of dit bewonen al dan niet gedoogd wordt. Wel van belang is of de woning beschikt over eigen voorzieningen, zoals een badkamer, sanitair en kookgelegenheid. Zo ja, dan is de woning bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De vakantiewoning is dan naar aard en inrichting bestemd en geschikt om enigszins duurzaam als bewoning te dienen en wordt dan ook als woning aangemerkt.

Kan een vakantiewoning als woning worden aangemerkt, dan betekent dit dat voor de ozb alleen een aanslag eigenarenheffing kan worden opgelegd. Een aanslag gebruikersheffing kan de gemeente niet opleggen. Bovendien geldt voor woningen meestal een lager ozb-tarief dan voor niet-woningen. Bij een vakantiewoning die aan bovengenoemde eisen voldoet, krijg je dus slechts één heffing opgelegd en is op deze heffing veelal een lager tarief van toepassing.

Verbod op permanente bewoning

Is permanente bewoning verboden, dan drukt dit wel de WOZ-waarde, zo besliste de rechter in het verleden. Ga dus na of een eventueel verbod op permanente bewoning in de WOZ-waarde is meegenomen.

Forensenbelasting

Een gemeente heeft de mogelijkheid forensenbelasting te heffen. Dit kan als je in een andere plaats dan je woonplaats een woning voor minstens 90 dagen per jaar ter beschikking hebt. Het is niet van belang of je ook daadwerkelijk 90 dagen of meer in de woning verblijft. Verblijfje permanent in je vakantiewoning, dan is forensenbelasting niet van toepassing.

Dagen dat je de woning verhuurt dan wel de woning gebruikt om de woning beschikbaar te maken of te houden voor verhuur, tellen dus niet mee. Bij het beschikbaar maken of houden voor verhuur kunje bijvoorbeeld denken aan het plegen van onderhoud, zoals het verven van het houtwerk. Verhuurje de woning voor een bepaalde periode via een derde, maar kunjezelf gebruikmaken van de woning als deze in de betreffende periode niet verhuurd wordt, dan tellen deze dagen wel mee. De woning staat je dan immers ter beschikking.

Tot slot

Met betrekking tot de aankoop en het gebruik van een vakantiewoning kun je met verschillende belastingen te maken krijgen. In deze advieswijzer hebben wij geprobeerd een algemeen beeld te schetsen. Neem voor de fiscale gevolgen in jouw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen,
  • de opzegging of ontbinding kan maximaal tot 30 dagen na het afsluiten van de lijfrenteovereenkomst worden ingeroepen,
  • alleen de gehele lijfrenteovereenkomst kan worden opgezegd of ontbonden, en de lijfrenteovereenkomst die wordt opgezegd of ontbonden is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst.

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst, maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.

 

Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?

Compensatie werkelijke schade

Bij de compensatie van gedupeerden van de toeslagenaffaire werd in beginsel uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Kan je aantonen dat jouw werkelijke schade groter was, dan kun je de Commissie Werkelijke Schade laten beoordelen of je recht hebt op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Raad van State: bij niet tijdig beslissen geen dwangsom

Bij het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade, kunnen in principe dwangsommen worden opgelegd. De Raad van State besliste hierover op 3 juni 2026 dat de normale wettelijke termijn geldt. Ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verzonden. Wanneer deze termijn wordt overschreden hoeft er van de Raad van State tot 3 juni 2027 echter geen dwangsom betaald te worden. 

Reden hiervoor is dat de dwangsom er niet toe leidt dat de Dienst Toeslagen eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade gaat beslissen. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland: wel een dwangsom

Rechtbank Midden-Nederland wijkt op 27 juli 2026 in drie uitspraken hiervan af en legt toch dwangsommen op aan de Dienst Toeslagen. Hoewel de rechtbank de problemen bij de Dienst Toeslagen herkent, oordeelt de rechtbank dat de wet aan de rechter geen mogelijkheid geeft om geen dwangsom op te leggen in een procedure over niet tijdig beslissen.

Rechtbank Midden-Nederland houdt daarbij wel een langere beslistermijn aan dan de Raad van State. De Dienst Toeslagen krijgt in deze drie zaken van de rechtbank een beslistermijn van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Haalt de Dienst Toeslagen deze termijn niet, dan is de dwangsom € 50 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Let op! In casu betekent dit in de drie zaken die bij rechtbank Midden-Nederland dat de uiterste beslistermijn van de Dienst Toeslagen voordat de dwangsom gaat lopen 6 juli 2027, 15 juli 2027 en 3 augustus 2027 is. Al met al gaat de dwangsom dus in deze drie zaken niet eerder lopen dan 3 juni 2027, de datum waarop de dwangsomloze periode van de Raad van State eindig

Let op!Tegen de uitspraken van rechtbank Midden-Nederland is inmiddels hoger beroep ingesteld. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt op 16 september 2026 het hoger beroep van de Dienst Toeslagen tegen één van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland.

Let op!Op 27 augustus 2026 volgde rechtbank Gelderland en op 14 september 2026 volgde rechtbank Amsterdam de beslissing van rechtbank Midden-Nederland en weken daarmee ook af van de Raad van State. Rechtbank Amsterdam bepaalde de dwangsom echter niet op € 50 per dag maar op € 100 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Ook 2% overdrachtsbelasting bij uitgestelde bewoning?

Overdrachtsbelasting

Bij de koop van een woning is de koper in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het normale tarief bij verkrijging van een woning bedraagt op dit moment 8%. Wordt de woning door de koper na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan geldt een tarief van 2% of is, onder voorwaarde, een startertsvrijstelling van toepassing. Maar geldt er ook een termijn waarbinnen je de woning als hoofdverblijf moet gaan gebruiken?

Woning verbouwd

Of er een termijn geldt voor het als hoofdverblijf gaan gebruiken, is voor een verbouwing van een woning besproken bij de totstandkoming van de wet. Ook in de rechtspraak is dit al enkele keren aan de orde geweest. Daarbij is geen termijn genoemd waarbinnen de verbouwing voltooid dient te zijn. In 96% van de gevallen wordt een woning namelijk binnen een jaar bewoond. Duurt een verbouwing langer, dan kan door de Belastingdienst gevraagd worden aannemelijk te maken dat je de woning toch anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken.

Terminaal ziek

In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Nederland had een echtpaar een woning gekocht, maar gingen hier niet direct zelf in wonen. In plaats daarvan verhuurden ze de woning aan hun terminaal zieke dochter en haar twee kinderen. Ze gaven aan het appartement gekocht te hebben omdat ze zelf kleiner wilden gaan wonen. Ze zouden het gelijkvloerse appartement na het overlijden van hun dochter zelf gaan bewonen.

Welk tarief overdrachtsbelasting?

Voor de rechtbank stond de vraag centraal welk tarief overdrachtsbelasting van toepassing was. De ouders wezen erop dat het hun intentie was de woning op termijn zelf als hoofdverblijf te gaan gebruiken en bepleitten een tarief van 2%. Volgens de Belastingdienst was de woning echter aangekocht voor de dochter. De Belastingdienst vond dat het echtpaar daarom de woning na verkrijging niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf was gaan gebruiken. Het normale tarief van toen nog 10,4% (voor woningen is dat nu 8%, waarschijnlijk vanaf 2027 7%) was daarom van toepassing, aldus de Belastingdienst.

Geen fatale termijnen

De rechtbank kwam echter tot de conclusie dat de woning was gekocht met de intentie deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Dat dit niet direct na aankoop gebeurde was volgens de rechtbank niet van belang, nu aannemelijk was dat de intentie aanwezig was en ook zou worden uitgevoerd na overlijden van de dochter. 

De wet bevat ook geen fatale termijnen, waarbinnen de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt moet gaan worden, aldus de rechtbank.

De rechtbank achtte het ook niet aannemelijk dat de woning voor de dochter was gekocht, aangezien die er nog maar een korte periode in kon wonen. Vanwege de situatie van de dochter was de aankoop door het echtpaar vervroegd en het bewonen door henzelf slechts kort uitgesteld. Er diende dan ook uitgegaan te worden van een overdrachtsbelastingtarief van 2%.

Let op! De uitspraak van rechtbank Noord-Nederland betekent niet dat bij elk uitgesteld gebruik van bewoning, het 2% tarief van toepassing is. Dit is altijd afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Bovendien is nog niet bekend of er mogelijk hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Overleg daarom over uw eigen situatie met onze adviseurs.